Onderstaand verhaal stond op de longlist voor het Verhaal van de Maand, voor de maand september

Zwanenmeer

Ze denken dat ik het heb gedaan. Ik ga het bijna zelf geloven, het zit onder mijn huid.

De minachtende blikken van de dorpelingen eerder die dag zijn Mary niet ontgaan. Het bewijs dat ze haar, na ruim twee jaar in hun midden te wonen, nog steeds niet goed kennen. Alsof zij in staat zou zijn zoiets gruwelijks uit te voeren. Haar vriend Jeremy kan het ook niet zijn, hij geeft een lezing in Glasgow en brengt daar de nacht door. Iemand moet toch iets gezien hebben?

Met moeite blijft Mary overeind op het verraderlijk glibberige pad langs de oevers van het meer. Bij elke stap rollen kiezels en brokjes leisteen onder haar voeten weg. Het wateroppervlak wisselt af van glinsterende plekken tot inktzwarte poelen. Puur uit wilskracht heeft ze zichzelf gedwongen om, ook met deze storm, haar dagelijkse wandeling te maken. Eerlijk gezegd twijfelde ze deze keer. Met één hand houdt ze de helften van haar wollen vest dicht. De gure wind deert haar niet, haar tengere lijf weet wat doorzetten is. Avond aan avond bewijst ze dat wanneer haar vingers, soms tot bloedens toe, de vioolsnaren beroeren in het orkest voor het nationaal ballet waarin ze speelt. De onheilspellende melodie van het zwanenmeer echoot voortdurend in haar hoofd.

Rond de bocht zal de visser staan, weer of geen weer. Zoals elke dag onbeweeglijk stilstaand, turend naar zijn dobber. Een schuwe man met een vlezige kin en fletsblauwe ogen die haar, nadat ze hem een keer spontaan gedag zei, inwijdde in de duistere geheimen en legendes van de streek. Bloedstollende verhalen over heksen en monsters, waar zij natuurlijk niets van geloofde. Een andere keer vertrouwde hij haar toe dat hij liever een boom dan een vrouw omhelsde en dat de natuur geweldig was.

Zodra de man haar in het oog krijgt, steekt hij een hand op. Vandaag voelt Mary zich opstandig, heeft geen zin in een praatje. Met een kort nauwelijks waarneembaar knikje van haar hoofd, vervolgt ze haar weg en beklimt de heuvel.

Beukenbomen torenen boven haar uit. Hun bladeren deels verschrompeld. De onverwachte, langdurige droogte van de laatste maanden deed ze geen goed. Tussen het kreupelhout en het dorre, gele gras op de berg valt geen enkel groen sprietje te bekennen. De zomer loopt ten einde.

Twintig minuten later daalt ze via een steil pad voorzichtig weer naar haar huis af.

Aan het eind van het weggetje, bij het meer houdt ze een moment stil. Ze laat haar vingers door het koele water glijden en staart naar de korte golfjes. Het wateroppervlak vertoont een bijna grafisch patroon. Een plotselinge beweging trekt haar aandacht. Stomverbaasd ziet ze een waterfiets in de vorm van een zwaan over het water verdwijnen. Ze zoekt de horizon af. Ziet ze het goed, zit Jeremy erop? Ongewild slaakt ze een kreet, ze bijt op haar onderlip.

Het zwanenbootje keert om en glijdt sierlijk op de oever af. Vloekend stapt Jeremy uit het vaartuig.

‘Wat doe jij hier in vredesnaam? Moest je geen lezing geven?’ Ze rilt, aan de oevers is geen enkele beschutting tegen de wind. Haar gezicht trekt samen van de kou.

‘Erg jammer dat je mij hebt gezien.’

‘Hoezo dat en waarom zit jij op een waterfiets?’

‘Zo kom en ga ik ongezien naar de andere kant van het meer. Ik wachtte de schemering af om naar de overkant terug te keren.’

De blik waarmee hij haar aankijkt jaagt haar de stuipen op het lijf. Zelfs zonder spiegel voelt ze hoe angst zich op haar gezicht aftekent. Haar lijf trilt, haar hart klopt in een ongewoon ritme. De man die voor haar staat lijkt opeens een vreemde.

Zijn ogen vinden de hare. ‘Ik heb enorme schulden. Voor de komende race heb ik grof op jouw paarden gewed. Dat is voor mij de enige manier om er bovenop te komen.’ Zijn stem klinkt vlak, zonder emotie.

‘Mijn paarden zijn tot nu toe altijd als tweede geëindigd.’ Nog steeds begrijpt ze het niet.

‘Precies.’

Hij geeft haar de kans om zelf de gevolgtrekking te maken.

‘Was jij het vanmorgen?’ Schaamrood jaagt naar haar kaken, een traan welt op. De aanblik van het prijswinnende paard van haar buurman, stuiptrekkend met een opengereten nek in de wei, bezorgt haar nu nog koude rillingen. In paniek had ze met een steeds schriller wordend stemgeluid de dierenambulance gebeld. Het mocht niet baten, het paard was niet te redden.

Jeremy geeft geen antwoord en vertrekt geen spier. De ijzige stilte duurt secondenlang.

‘Je moet je aangeven, hier wil ik niets mee te maken hebben.’ Ze klinkt kordaat.

Bokkig kijkt hij voor zich uit. ‘Dat kan helaas niet, Mary. Ik zit er te diep in, als ik mijn schulden niet voldoe …’

Zijn stem klinkt scherp als een scheermes. Kan ze nog vluchten? Zodra ze zich omdraait, verspert zijn grote lijf haar de doorgang.

‘Je werkt niet mee door ervandoor te gaan. Jij bent te braaf om je mond te houden, jij zou direct vertellen dat ik dat paard te grazen nam. Ruw pakt hij haar polsen beet en sleurt haar mee naar het meer.

‘Help!’ De krijsende smeekbede verlaat haar longen. Ze voelt zich als een verfrommelde prop papier die achteloos in het rimpelende water wordt gesmeten. Een gevoel van paniek tijgert door haar lichaam.

‘Gil gerust, er is hier niemand die je hoort.’

‘Verdomme, wat doe je?’

‘Dacht je nu echt dat ik je zomaar laat gaan? Het is jij of ik. Wanneer ik niet betaal, kost mij dat zelf de kop. Ik moet voor mezelf kiezen.’

Met kracht duwt hij haar hoofd onder water. Wanhopig spartelt ze tegen, het wordt donker voor haar ogen. Tegen zijn spieren, zo hard als boomwortels kan ze niet op. Ze maken aan elke illusie een eind. Haar dikke vest zuigt zich vol water, haar schoenen lopen vol. Met een gevoel van fatalisme hoopt ze vurig dat haar nachtmerrie snel voorbij is. Het is alsof ze buiten de tijd treedt. Op het moment dat ze denkt dat haar laatste minuut is aangebroken, verslapt opeens zijn greep. Onder water zwemt ze van hem weg, een paar meter verder komt ze naar adem snakkend naar boven. Uiterst langzaam keert haar volle bewustzijn terug. Naast de zwanenboot staat, met zijn armen voor zijn borst gevouwen, de visser. Jeremy is nergens te bekennen.

‘Van die schoft heb je niet langer last, hij verdient niet beter. Ik hoorde wat hij zei. Aan de natuur moet je niet komen, helemaal niet aan nobele dieren zoals paarden.’ Zijn stem klinkt furieus.

‘Allemachtig, wat heb je gedaan?’ Rillend stapt Mary met pijnlijk stijve benen aan wal.

‘Als je voorbestemd bent om te verdrinken, kom je niet onder een trein.’ Hij draait zijn hoofd weg en staart over het water. ‘Ga maar snel iets warms aantrekken. Met een beetje geluk laat het monster in het meer zijn lichaam snel verdwijnen.’ Bij wijze van afscheid steekt hij een hand op. In het duister lost zijn lijf op tegen de heuvel. Om haar heen is alles duister en kil.

Cecile Koops ©2021

 

 

 

 

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *