Mijn verhaal meneer de Jong is een van de winnaars in de zondagsverhalen-wedstrijd van Marceline de Waard. Bijgaand het verhaal:

Meneer de Jong

Ooit was ik behoorlijk rock-’n-roll.’

‘Wanneer is dat opgehouden?’

Naast de zwaarmoedige meneer de Jong, op de pont over het IJ, staan twee vrouwen van middelbare leeftijd. Grauw water met een olieachtige glinstering klotst tegen het pontje en creëert opspattende watervalletjes.

Gekleed in bloemetjesjurken die hun vormeloze lijven omhullen, zou hij normaliter geen tweede blik op de vrouwen werpen. Iets in hun conversatie maakt echter dat hij ongemerkt iets dichter naar hen toe schuift om geen woord te missen. Diep inhalerend neemt hij een laatste stiekeme trek van zijn sigaret en blaast met vilein genoegen dikke rookwolken in de richting van de man met de afkeurende blik. Verbodsbord of niet, hij maakt zelf wel uit of hij rookt of niet. Met een rollende beweging van zijn schoen drukt hij zijn peuk op het dek uit.  

‘Jammer dat ik je destijds niet kende, ik was nogal een wilde. Altijd naar Paradiso of de Melkweg.’

‘Dat had ik nooit achter jou gezocht.’

‘Dat komt omdat wij elkaar pas later leerden kennen. Dan zit je bij je ontmoeting al vast aan het hokje oudere vrouw.

Met een bonk stoot de laadklep tegen de wal en de boot stroomt leeg op de kade.

Het klopt precies denkt meneer de Jong. Hoe langer je iemand kent, hoe beter jij je in diens gevoelsleeftijd kan verplaatsen. Hoe zouden de vrouwen hem, met zijn verfomfaaide tweedpak, zien? Een saaie man met een uitgemergelde kop vol rimpels? Hij denkt aan morgen, de dag die alles zal veranderen en dwingt zijn gedachten niet in details te treden. Hij pakt nog een sigaret en loert naar de tekst op het pakje. Dat weet hij allang. Mag hij misschien van kleine dingen genieten? Hij wordt licht in het hoofd, waarom alleen kleine dingen, spookt door zijn gedachten. Nu het nog kan, wil hij groots en meeslepend leven. Met een glimlach rond zijn mond zet hij koers naar het centrum.

 

Met een veerkrachtiger tred dan in de afgelopen weken, sleept hij zijn magere lijf bij een café naar binnen. Een moment moeten zijn ogen wennen aan het donker in de ouderwetse bruine kroeg. Bluesachtige muziek omhult hem wanneer hij een ambachtelijk gebrouwen biertje bestelt. Zijn darmen trekken prettig samen zodra de eerste slok door zijn keel glijdt.

Op de stoep voor het café passeert een jong meisje, hij kijkt haar verlangend na. Wil hij wel naar die dokter morgen? Nieuwsgierig blikt hij de zaak rond. Iets verderop zit een vrouw in haar eentje aan een tafeltje te lezen. Hoewel hij niet precies kan benoemen waarom, is ze anders dan alle andere vrouwen die hij kent. Haar slanke handen slaan de bladzijdes zo snel als zij leest om. Met samengeknepen ogen leest hij de titel van haar boek: ‘De Avonden’.

Af en toe dwaalt haar verstrooide blik van de pagina’s naar haar glas, waarna ze een slok neemt. 

Iets in haar onafhankelijke houding bevalt hem. Zodra ze opstaat om te vertrekken, maakt ook hij aanstalten om te gaan. Gelukkig loopt ze niet te snel voor hem. Ze heeft een onvergetelijk loopje, lichtvoetig en met wiegende heupen. Voor het eerst sinds lange tijd voelt hij zich domweg gelukkig.

Bij een zebra steekt ze de straat over. Een aanstormende auto komt met piepende banden recht op haar af. Ze lijkt van angst verstijfd. Achter haar trekt meneer de Jong haar precies op tijd naar achteren. Allebei vallen ze op het asfalt, de auto mist hen op een haar na. Trillend kijkt de vrouw hem met grote ogen aan.

‘Ik zag u in het café zitten.’ De opmerking slaat nergens op, hij is ontdaan door het gebeurde. Hij ademt zwaar en kan zijn ogen niet van haar afhouden.

Ze glimlacht. ‘O ja? U heeft mijn leven gered. U had zelf wel dood kunnen zijn.’

Haar stem klinkt hem als het mooiste vogelgezang in zijn oren. Plots verlangt hij ernaar haar lijkbleke gezicht te overladen met koortsachtige kussen. Wat bezielt hem?

‘Gelukkig is het goed afgelopen.’ Hij klopt zijn kleren af en biedt zijn hand aan om haar overeind te trekken. Een gure windstoot laat hem rillen. ‘Kom, ik denk dat we beiden behoefte hebben aan een drankje.’ Hij voelt de ijskoude hand in de zijne en glimlacht naar haar. Woordeloos laat ze zich meetronen naar het café.

Met een schokje realiseert hij zich dat de dag nagenoeg voorbij is. Wat zal ze denken als ze erachter komt dat hij morgen een afspraak heeft om een eind aan zijn leven te maken, voordat de ziekte genadeloos toeslaat. Elke gedachte aan die dag veegt hij abrupt terzijde. Morgen is morgen en vandaag is vandaag. Hij zwaait naar de ober om diens aandacht te trekken. Op dit moment voelt hij zich weer even als een jongen.

© Cecile Koops

 

 

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *