Dieper en dieper zakken hun schoenen de drassige grond in. Bij elke stap klinkt het zompige geluid van zuigende modder.

‘Deden we er wel goed aan?’ De stem van Cora klinkt aarzelend.

‘Wat bedoel je?’ Janet blijft een moment stilstaan en fronst haar wenkbrauwen. Hoog in de lucht vliegt een zwerm zwaluwen over. Hoe zat het ook weer, voorspellen die hoogvliegende zwaluwen mooi weer en de laagvliegende regen, of is het precies andersom? Ze ademt diep in. Het ruikt hier zoals het vroeger geurde, in het dorp waar ze als kind opgroeide. Een aroma van vochtige aarde vermengd met gemaaid gras.

‘Om alles achter ons te laten en aan dit avontuur te beginnen, zegt Cora.’

‘Komen de twijfels nu al opzetten?’ Janet lacht. ‘Wat ben je toch een pessimist, heus het komt goed.’

Achter een bocht van de onverharde weg doemt een eeuwenoude, uit gele kalksteen opgetrokken, cottage op. Het lijkt of de stenen in het geabsorbeerde zonlicht gloeien. Met een mengeling van trots en blijdschap bekijkt Jane het huis. Wat een toeval dat ze het te koop bord passeerde. Ze ziet zich nog staan met één hand boven haar ogen, haar neus tegen het raam gedrukt in een poging om door de vuile vensters een glimp van het interieur op te vangen. Het was liefde op het eerste gezicht.

 

Door de vele rekeningen die zich thuis op haar bureau opstapelden, leek het huis een onbereikbare droom, totdat haar zus Cora niet veel later terugkwam uit Italië, na een jarenlange relatie met een agressieve, haar bedriegende man.

Aan de keukentafel bij Janet stortte ze haar hart uit. ‘Ik had oud willen worden met hem.’

‘Wen er maar aan zus, je zit pas goed in je vel wanneer je alleen kunt zijn en dat is iets anders dan eenzaam zijn.’

Na vele gesprekken met elkaar over hun toekomst, stelde Janet voor om met zijn tweeën die droomcottage te kopen. ‘Het huis is geweldig. We kunnen er met gemak een B&B in runnen. Het biedt meer dan genoeg kamers. Stel je voor, heerlijk langzaam en landelijk leven, een maaltijd in een oude pub, een glaasje drinken aan de rivier en in plaats van buren een paar schapen in de wei.’ Ze kijkt Cora van opzij aan om te zien hoe het voorstel bij haar valt. Ondanks het verdriet om haar verbroken relatie ziet haar zus er goed uit en veertig jaar zou je haar niet geven.

‘Hoe moet het dan als een van ons een nieuwe relatie krijgt, blijft het dan financieel haalbaar?’

‘We kunnen het huis met gemak opsplitsen en voor ieder, naast de B&B kamers, een eigen woning maken, geen enkel probleem.’ Janet wuift alle bezwaren van de hand.

 

Door alle andere klussen, zijn ze nog niet op de zolder geweest. Terwijl Cora boodschappen in het dorp haalt, besluit Janet daar een kijkje te nemen. Haar vingers grijpen de zijkanten van de ladder stevig beet. Zodra ze haar hoofd boven het zolderluik steekt, moeten haar ogen een moment wennen aan de duisternis. Het licht dringt ternauwernood door het ongewassen zolderraampje naar binnen.

In een wolk van stof komt ze overeind en knipt al niezend haar zaklantaarn aan. Aan de ene kant van de zolder ontwaart ze de contouren van stapels boeken en aan de andere kant staan dozen en kisten in allerlei vormen en maten. Zodra ze een blik werpt in de eerste doos, die vol ouderwetse kleding zit, kringelt een mottenballengeur door de ruimte. Bij het openen van een volgende kist deinst ze vol afschuw achteruit. Deze zit vol met geweren, pistolen en munitie. Verdomme wat is dit? Van wie zijn die wapens en waarom liggen ze op hun zolder verborgen? Met een klap sluit ze het deksel en klimt nadenkend de ladder af. Vroeger werd in deze streken veel gesmokkeld. Zijn dit de wapens van nazaten van eerdere eigenaren van het huis? De lust om nader op inspectie te gaan, verdwijnt.

 

De laatste plek waar Cora Paul wil tegenkomen is in het dorpscafé, niet al te ver verwijderd van hun nieuwe huis. Toch zit hij daar, aan een tafeltje met zijn gezicht naar de deur. Bijna alsof hij verwacht dat zij elk moment door de deur naar binnen kan stappen. Ze rilt ongecontroleerd.

‘Cora.’ Zijn welbekende stem galmt in haar oren.

‘Wat doe jij hier in vredesnaam?’ Klinkt haar stem echt zo onvast?

‘Weet je dan niet dat ik nog steeds van je hou.’ Zijn azuurblauwe ogen, met een hint van krankzinnigheid in hun blik, boren zich in de hare.

‘Ik ook van jou.’ Uit angst voor zijn reactie liegt ze erop los.

‘Waarom gingen we dan uit elkaar?’ Hij kijkt alsof hij zich van de prins geen kwaad weet en zich de talloze keren dat hij haar bont en blauw sloeg niet herinnert.

Opzij kijkend, verbergt ze haar ogen vol leed. Vrijwel direct denkt ze aan het krantenartikel van vorige maand. Hoewel zijn ogen met een balkje waren afgeplakt, was het onmiskenbaar Pauls foto bij het artikel over een oplichter die verdacht werd van het martelen en doden van zijn slachtoffers. Na het lezen van de krant had Janet gezegd hoe blij ze was dat Cora in veiligheid was. Haar sloeg de angst meteen om het hart en nog weken erna spookte de gedachte aan zijn daden door haar hoofd.

En nu zit hij hier, met zijn pezige lichaam, in de pub voor haar neus. Wat moet ze doen?

‘Hoe wist je dat ik hier was?’ Ze zegt het afgemeten, iets binnenin haar is inmiddels veranderd.

‘Op deze plek, dat wist ik niet. Jouw oude vriendin Janny gaf mij je adres. Tenminste, ze wist niet precies je adres, alleen de naam van het dorpje waar je woonde. Ik dacht wel dat ik je vroeg of laat hier zou ontmoeten. Je bent toch niet serieus van plan je in een gehucht te begraven?’

Bij zijn woordkeus lopen de rillingen over haar rug.

Met een verwilderde blik kijkt ze hem aan. ‘Ik woon tegenwoordig samen met mijn zuster.’

‘Dat lijkt me niet zo’n goed idee.’ Zijn ogen blikken in de hare. ‘Kom met mij mee.’

‘Ik ga niet mee Paul, zoek maar een ander.’ Ze kijkt schuin weg van zijn indringende blik. ‘Ben je vergeten wat je mij allemaal hebt aangedaan?’ Op dit moment durft ze haar ogen niet naar hem op te slaan. Ze loert naar de mahoniehouten toog waarop bierpompen met wit porseleinen handgrepen staan.

‘Dat was maar een geintje, kan je daar niet tegen? Je betekent echt alles voor me.’

Cora draait zich om. ‘Vergeet het maar.’ Ze rent de pub uit naar de auto, springt erin en vergrendelt alle deuren. Bevend drukt ze op de startknop en scheurt de straat uit.

 

‘Janet, waar ben je?’

Haar zuster steekt een hoofd om de deur. ‘Ik ben in de keuken. Wat is er aan de hand? Je ziet eruit alsof je een spook bent tegengekomen.’

Cora kreunt. ‘Erger dan dat, Paul zat in de pub in het dorp.’ Haperend doet ze haar relaas. ‘Wat moet ik doen? Ik ben doodsbang voor hem.’

 

De rest van de week zien ze geen spoor van Paul. Tegen beter weten in hoopt Cora dat hij uit het dorp is vertrokken. In de pub komt ze niet langer en telkens rijden ze met een grote boog om het dorp heen om hun boodschappen in een andere stad te doen. Geen avond gaat voorbij dat ze niet desperaat met wijd opengesperde ogen ligt te woelen in haar bed.

 

Cora bestudeert de zwarte randjes onder haar nagels en pulkt er met de punt van een snoeischaar wat aarde onder vandaan. De tuin begint er steeds beter uit te zien. De grote struiken zijn gesnoeid en het zaaigoed komt op.

Plots klinkt het piepend geknars van een hekje waarna Paul de tuin in wandelt. Cora houdt haar adem in. Kippenvel trekt over haar armen. Verdorie, waarom komt hij net nu Cora een wandeling maakt.

‘Ik kom je ophalen.’

‘Onze relatie was een farce, ik ga niet met je mee.’ Nerveus spelen haar vingers met het wijde horloge aan haar arm.

‘Weet je, ik heb altijd je eerste brief bewaard.’ Zijn stem klinkt lijzig.

Een moment laat ze zich overrompelen bij de gedachte dat hij haar liefdes-epistel al die jaren op zak draagt en even vangt ze een glimp op van de charmante man die iedereen om zijn vingers kan winden. Een moment is alles vertrouwd. Zijn staalblauwe ogen staan echter kil en ze zucht van opluchting dat ze niet langer in zijn ban is.

‘Waarom? Waarom ben je hier?’

‘Ik stel hier de vragen en ik wil dat je meegaat. Nu meteen.’

Haar hersens maken overuren. Het dringt tot haar door dat ze hem niet kwaad moet maken, nu ze hier alleen en kwetsbaar is. ‘Direct kan dat niet natuurlijk. Ik moet eerst pakken en met mijn zuster spreken. Kom me morgen maar halen.’ Ter plekke schudt ze het verhaal uit haar mouw.

Hij laat zich gelukkig overtuigen. ‘Zie je wel, het komt heus goed.’ Tegen haar zin laat ze zich omhelzen waarna hij fluitend wegwandelt. ‘Tot morgen!’

Als een toonbeeld van ellende zakt ze uitgeput op een tuinstoel neer.

Nog geen kwartier later klinken in de verte een paar knallen. De jagers zijn vroeg vandaag.

 

Janet treft haar zuster met roodomrande ogen in de tuin aan. ‘Paul was hier, ik moet met hem mee. Ik heb tot morgen uitstel gekregen. Wat kan ik doen?’ Haar stem klinkt schor.

‘Ik blijf bij je. Wanneer hij komt, zal ik hem eens flink de waarheid vertellen en dreigen dat we de politie op hem afsturen, tenslotte is hij nog steeds een verdachte in een moordzaak.’

‘Daar heb ik helemaal niet aan gedacht, denk je dat het lukt?’

‘Jij blijft hier wonen en geen haar op mijn hoofd die hem toestaat daar verandering in te brengen.’ Ze balt haar vuisten.

 

Dit nacht is het Janet die de slaap niet kan vatten. Haar vingers plukken aan het laken en voor haar ogen draait voortdurend een film van de vorige dag af waarin ze oog in oog met Paul staat. Dat verdomde arrogante lachje van hem spookt door haar hoofd.

‘Dag schoonzus, zullen wij eens lekker samen in het korenveld rollebollen. Dan weet je als vrijgezel eindelijk wat vleselijke lusten zijn.’ Zijn stem klikt alsof hij een normale conversatie voert.

Ze kon de alcohol in zijn adem ruiken en duwde hem vol afschuw weg. Hij bleek sterker en had haar met wilde gebaren het korenveld in getrokken.

In een onoplettend ogenblik, terwijl hij zijn broek omlaag stroopte, had ze in de zak van haar vest gegraaid, het pistool op hem gericht en drie of vier keer in zijn borst geschoten. Net zolang tot hij rochelend neerviel. De blik op zijn gezicht vergeet ze nooit meer. Het kost haar moeite om niet te braken. Zorgvuldig over hem heen stappend, had ze de tegenwoordigheid van geest om met een, naast het pad liggende, tak haar schoenafdrukken te wissen. Al vegend was ze daar tot aan het verharde pad mee doorgegaan. Gelukkig dat ze sinds het verhaal van haar zus een wapen op zak had, met dank aan de vondst op zolder.

Uit haar mond zal Cora niets horen, hoe minder zij weet hoe beter, het is te gevaarlijk. Ze twijfelt er niet aan dat zij verhoord zullen worden zodra het lichaam wordt ontdekt. Haar zus moet onbevangen kunnen reageren. Daarom had ze in haar reactie naar Cora in de tuin gedaan alsof die klootzak nog in leven was, alsof ze niet net die kogels door zijn borst had afgevuurd.

In de la van haar nachtkastje ligt de brief van de notaris die gisteren werd bezorgd. Ze pakt de brief erbij en laat haar ogen nogmaals over de regels dansen. Een kinderloos gestorven oudoom die zij amper kent, laat zijn hele bezit aan hen beiden na.

Had Paul daar weet van en is hij op de belofte van geld afgekomen? Ze zal het nooit weten. Met een zucht stopt ze de brief terug in de envelop. Nu is beslist niet het moment om Cora over de erfenis te vertellen. Kon ze de tijd maar terugdraaien. Dan zou ze hem terugdraaien tot ver voor de dag dat Cora die schoft ontmoette.

Met beide handen onder haar achterhoofd gevouwen, kijkt ze naar de verlichte wijzers van de wekker op haar nachtkastje. Kwart voor drie. Met een mengeling van schuld en opluchting sluit ze haar ogen en bedenkt alvast welke antwoorden ze kan geven na de ontdekking van Pauls lichaam in het korenveld.

Cecile Koops © 2021

 

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *