Dit verhaal schreef ik voor de avondklok challenge van 500 Magazine aan Zee en werd eerder op hun website en Facebook gepubliceerd.

Meneer Schaap

‘Avondklok, ik weet niet beter.’

De oudere man in het sleetse pak die zo uit een boek van Dickens lijkt te komen, spuugt de woorden naar buiten. Vanaf mijn hoek van het bankje, op gepaste afstand, kijk ik vragend opzij. ‘U bedoelt tijdens de oorlog?’

‘Nee, hier in het dorp. Heb je dat nooit gehoord? Behalve in de zomer, wordt elke avond om negen uur de papklok geluid, een teken voor de mensen op het land of op het water dat het werk erop zat. Om negen uur gingen de poorten dicht en de vuren uit. Wie zijn bord pap voor het slapengaan wilde eten, moest het tijdig koken. De oude traditie stamt uit het midden van de zestiende eeuw.’

‘Ja, ik hoor die klok weleens.’

‘Tegenwoordig kom ik in de avond niet meer buiten, overdag ook bar weinig, mijn zoon haalt me soms op voor een ommetje. Vandaag ben ik er vandoor gegaan om even naar de schaatsers op het IJsselmeer kijken.’  Hij grijnst samenzweerderig. ‘De vrouw bij de receptie liep een moment weg en vergat de deur af te grendelen. Iedereen in dat tehuis is namelijk door ouderdom tot een gevangene gemaakt.’

Hij maakt op mijn geen vergeetachtige indruk, waarom zou hij niet naar buiten mogen?

Al pratend drijft de man weg van het onderwerp.

‘Vroeger schaatste ik ook, lange tochten op Loosdrecht. Eens twee keer achterelkaar op dezelfde dag. Ik weet nog hoe woedend mijn vrouw was. Zij wachtte ongerust thuis met onze kleine koters en kon mij niet bereiken.’ Hij lacht schaapachtig. ‘Ik had beter kunnen zeggen dat ik de tocht nogmaals wilde maken. Bij mijn thuiskomst in het stikdonker was ze hysterisch.’

Een moment is hij gevangen in herinneringen totdat hij opeens rilt.

‘Nu wil ik het liefst naar mijn warme kamer. Toen ik wegglipte, had ik geen tijd om mijn winterjas te pakken en zonder zon is het behoorlijk koud. Er staat mij vast wat te wachten, nu ik zonder een woord ben weggelopen.’

‘Zal ik met u meewandelen?’

‘Graag, ik ken de route terug niet.’ Opeens lijkt hij kwetsbaar.

‘Neemt u mijn sjaal maar, ik heb een warme jas aan.’

Dankbaar slaat hij de sjaal om zijn schouders en houdt deze bij zijn keel hooggesloten vast. Binnen een kwartier staan we voor de ingang van het tehuis. Terwijl ik mee naar binnen wandel, glijdt mijn blik over de receptie. In de neon verlichte ruimte staan enkele licht bestofte plastic bamboeplanten in zwarte potten met grint. Op een lila muur zijn uitgeknipte plaatjes van tulpen geplakt.

‘Meneer Schaap! Weet u wel dat iedereen naar u op zoek is?’

Vanachter haar bastion kijkt de receptioniste hem kwaad aan.

‘Waarom loopt u steeds weg?’

Terwijl hij ineenkrimpt, vang ik de radeloze blik in zijn grijsgroene ogen op.

‘Niets daarvan.’ Mijn stem klinkt fel. ‘Hij was met mij mee.’ Ik knipoog naar hem en richt me tot zijn cipier. ‘Morgen haal ik hem nogmaals op voor een wandeling, dan weet u dat vast.’

Cecile Koops ©2021

 

 

 

 

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *