1975

Door het ontbreken van geld voor een taxi gedwongen, glibbert Joyce in het duister op weg naar huis over smeltende witte sneeuwklonten. Zonder in de spiegel te kijken, weet ze hoe ze eruitziet. Zwart omrande ogen met doorgelopen mascara en een bos donkere krullen als natte, zware slierten rond haar hoofd.

Ze had kunnen weten dat er iets mis was, toen ze over haar schouder naar de bar keek en de schichtige blik van die jongen trof. Toch hielden de dreunende bassen die door haar lijf trokken, haar gevangen op de dansvloer. Op momenten dat ze zo in trance was, telde louter het bewegen op het ritme van de muziek. Haar vriendin was al ruim een uur eerder vertrokken, zij had nog geen afscheid van de club willen nemen.

Vloekend ploegt ze door de koude straten. Dat haar handtas en haar geld verdwenen zijn is niet eens het ergste. Veel kwalijker is het verlies van de foto van Bas, met achterop zijn adres, die met haar tas is verdwenen.

Voor hij eerder deze maand voor een jaar vertrok om zijn geluk in Australië te beproeven waren ze na een avond stappen in haar bed beland. Een seksueel verzetje voor hen beiden, twee vreemden die door zijn vertrek nooit de kans kregen een relatie op te bouwen. Terwijl ze voor de derde maal uitgeput naast elkaar lagen, nam zij hem vanuit haar ooghoeken in zich op. In de kamer wierp een opkomende zon schaduwen op de muur en zijn gezicht. In het daglicht zag hij er aandoenlijk jong en kwetsbaar uit.

Met geen mogelijkheid herinnert ze zich de naam van het kleine gehucht waar hij inmiddels woont. Mentaal neemt ze afscheid van de relatie die nooit goed en wel begon.

Bij alle ellende heeft ze één geluk, de sleutel van haar appartement zit in elk geval nog diep in haar broekzak. In het duister langs de grachten versnelt ze haar pas zonder besef dat deze gebeurtenis haar verdere leven zal beïnvloeden.

2020

Hoe zou haar leven eruit hebben gezien wanneer ze jaren geleden die dag niet was gaan stappen? De vraag spookt voortdurend door haar hoofd. Eigenlijk vanaf het moment dat ze ontdekte dat ze zwanger was van Bas. Zonder adres kon ze hem niet traceren en vertellen dat hij een zoon had. Hoe anders zou het leven van haar en haar zoon zijn verlopen indien ze hem wel had gevonden? Had dat schuldgevoel haar dan niet levenslang achtervolgt?

Het blijft een vreemd idee dat Rob met zijn onschuldige kinderogen, het resultaat van een nacht samenzijn in een mengeling van verliefdheid en lust, voor vijftig procent bestaat uit genen van mensen die ze niet kent. Komen er bij hen in de familie erfelijke ziektes voor, gektes, of psychoses? Haar adem gaat sneller. Bij een kind ben je eeuwig bang dat hem iets overkomt. Je stelt je zijn toekomst zonnig voor. In de la van haar bureau liggen tientallen brieven. Brieven met foto’s en met tekeningen die Rob zelf door de jaren heen maakte. Wel geschreven, maar bij gebrek aan een adres nooit gepost. Eigenlijk weet ze zelf niet waarom ze al die lange epistels schreef. Verwachtte ze Bas ooit weer te ontmoeten? Dat is er al vijfenveertig jaar niet van gekomen.

Hoe hulpeloos kan eens mens zich voelen, alsof ze elk moment door t geringste zuchtje wind in een miljoen kleine stukjes versplinterd kan worden. Ze haalt adem, ze eet, niets wijzigt aan haar depressieve gevoel. Dagenlang ligt ze op bed en doet niets anders dan een spelletje op de telefoon. Had hij het niet gedaan wanneer hij zijn vader had gekend?

‘Ga toch eens op Facebook.’ Haar vriendin zei het bijna wanhopig. ‘Op die manier maak je meer deel uit van ons leven.’

Hoewel ze er niet in gelooft, maakt ze toch een account aan en zoekt daarna dagenlang stiekem naar Bas.

Haar adem stokt en met een verwilderde blik staart ze naar zijn profielfoto. Een stuk ouder blijft hij onmiskenbaar een knappe man. Ze scrolt door zijn leven en de kieken van verre reizen. Waar woont hij? Is hij getrouwd, heeft hij kinderen?

Die informatie valt niet uit zijn profiel op te maken. Rob leek meer op hem dan ze destijds besefte. Nu ze aan hem denkt, voelt ze de behoefte hem te mailen en te vertellen wat er is gebeurd. Kan ze hem een bericht sturen of haalt ze meer overhoop dan haar lief is? Ze weet niet of ze de kracht ervoor heeft. Handenwringend loopt ze door het treurige appartement, waaraan ze bij gebrek aan fut jarenlang niets heeft opgeknapt. Een krul losgelaten behang is met plakband in het gareel getrokken. Zou hij nog steeds een hitsige minnaar zijn?

In het café waar ze hebben afgesproken, slaat hij onwennig een arm om haar schouders. ‘Ik weet eigenlijk niks van je, vertel eens over je leven.’

‘Wat wil je weten?’ Ze snuift zijn lichaamsgeur op, die na al die jaren nog vertrouwd voelt.

Hij kijkt haar van opzij aan. ‘Maakt niet uit, begin gewoon te vertellen. Wat ben je voor iemand?’

Waarom doet hij zo zijn best, is het geveinsde belangstelling of is hij oprecht in haar geïnteresseerd?

‘Wat ik vooral wil weten, waarom je mij niet schreef? Jij had mijn adres, ik niet het jouwe. De ochtend na mijn bezoek aan jouw huis vervloekte ik mezelf dat ik niet op het straatnaambord had gekeken. In het donker zien alle straten er ongeveer gelijk uit.’ In zijn ogen verschijnt een droeve blik, die haar hoop opwekt.

Ze glimlacht zachtjes. ‘Ik ben een doodgewone vrouw, nooit getrouwd en niets bijzonders. Die foto met je adres zat in mijn gestolen tas.’

‘Echt? Dat is wel heel summier.’

‘En jij? Ben jij getrouwd, heb je kinderen, waar werk je?’ Snel legt ze bal bij hem neer.

Nee, geen huwelijk voor mij, wel een aantal vriendinnen gehad, maar geen kinderen. Ik werk voor de ambassade, elke vier jaar word ik in een ander land gestationeerd. Je ziet wat van de wereld op die manier. Nu ben ik voor een paar maanden in Nederland. Wat ontzettend leuk om je weer te zien na al die jaren. Hoe lang is het geleden?’

‘Vijfenveertig jaar om precies te zijn.’

Hij lijkt verbaasd dat ze het exact weet. ‘Zullen we straks samen een hapje eten?’ Zijn azuurblauwe ogen boren zich in de hare.

‘Eerst moet ik je iets vertellen.’ Een moment aarzelt ze. ‘Je hebt een zoon gehad. Na je vertrek ontdekte ik dat ik zwanger was.’ Hoe kan ze hem vertellen wat er is gebeurd, Rob’s verminkte lichaam met de geur van de dood onder het witte laken.

Geschokt staart hij haar aan. ‘Een zoon, ik heb een zoon?’

‘Had een zoon, de dag dat Rob stierf was de ergste dag van mijn leven. Hij heeft zichzelf van het leven beroofd.’ Haar stem klinkt bijna toonloos en haar gezicht is bleek.

‘Waarom?’

‘Ik weet het niet, hij miste een vader. Je hebt geen idee wat een schuldgevoel en een verwijten ik mezelf jarenlang maakte. Het vrat aan me.’

Hij trekt haar naar zich toe en houdt haar stevig vast. Zijn aanraking verdrijft haar rouw naar de achtergrond.

‘Hoe oud werd hij?’

Ze snakt naar adem en tranen wellen op. ‘Zeventien, hij sprong voor een trein.’

‘Sjezus, nog maar een kind.’ Verslagen laat hij zijn hoofd hangen.

Ze haalt diep adem. ‘Ik heb thuis een stapel brieven met foto’s en tekeningen van hem voor jou bewaard. Denk je dat je het aankunt?’

‘Ik zou die graag willen zien en lezen, Joyce. Ik kan het allemaal nog niet bevatten.’ Bas grijpt haar hand en knikt haar toe.

Opgewekter dan ze in lange tijd was en met het gevoel dat ze eindelijk leeft, wandelt ze aan zijn zijde naar haar huis. Net zoals zoveel jaren geleden. De gedachte aan toen houdt haar op de been.

Thuisgekomen overhandigt ze hem de stapel brieven en laat hem op zijn gemak alles verwerken terwijl zij een pot thee zet. Lange tijd blijft hij op de bank zitten terwijl de nog te lezen stapel zienderogen slinkt. Vanuit de stoel bij het raam werpt ze een blik op haar keurige handschrift.

‘Dank je wel dat je mij dit laat lezen. Ik wilde dat ik hem had kunnen ontmoeten. Het spijt me zo.’ Met trillende handen pakt hij zijn kop thee die op de bijzettafel koud staat te worden en leegt hem in één teug.

‘Hij leek op je. Hij was onze zoon, en ik heb hem begraven. We moeten er allebei mee leren leven.’

Bas staat op van de bank en aait de foto van Rob op de schoorsteenmantel voor hij naar haar stoel loopt. Heel voorzichtig streelt hij over haar haren. Woordeloos laat ze zich omhoog in zijn armen hijsen. ‘Maak ik na vijfenveertig jaar nog een kans?’

‘Dat zou Rob zo fijn hebben gevonden.’

‘En jij?’

Ze kijkt hem in de ogen en trekt hem woordeloos mee naar boven, waar alles begon. ‘De cirkel is rond.’

 

 

Cecile Koops © 2021

 

 

 

 

 

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *