Dit verhaal haalde de longlist van het verhaal van de maand oktober. 

Wat gebeurd is, is gebeurd.

Met een begin van broosheid staat Jan op en tuurt door het raam. Scherp tekent zijn silhouet zich af tegen de blauwe lucht buiten. Naast het kromme bruggetje over de sloot met het zwartgroene olieachtige water, bloeien irissen. Wanneer zijn ogen branden van het staren, gaat hij weer zitten.

‘Nog niets?’ In Klaziens ogen vallen sporen van haar onrust te lezen.

Hij schudt zijn hoofd.

‘Waar blijft ze, we hebben om twee uur afgesproken, toch? Heb je je medicatie ingenomen?’

Ruw haalt hij zijn schouders op en vouwt de regionale krant open. Zijn ogen flitsen langs de koppen en blijven hangen bij een artikel over nieuwe bouwplannen van de gemeente. Met groeiende onrust leest hij alarmerende zinnen. Woorden als de aanleg van een snelweg en de onvermijdelijke onteigening van boerderijen, treffen hem als een mokerslag. Ongerust leest hij het volledige artikel. Daarna loert hij geschokt over de krant heen naar zijn vrouw.

Ze heeft haar ogen gesloten. Uit haar mond rollen zacht ploffende geluidjes. Haar hoofd leunt in een ongemakkelijk ogende knik tegen de stoelleuning. Nooit eerder is hem opgevallen dat haar gezicht zo vol met rimpels zit. Het voelt bijna als verraad.

Op het moment dat hij denkt dat hun dochter niet meer komt, resoneert het blikkerige geluid van de deurbel. Hij sloft naar de deur en trekt hem met een zwaai open. Ze wisselen een haastige blik. ‘Je bent laat, Janneke.’

‘Ook hallo, pa.’ Janneke gooit haar dunne regenjas over de paal van de trapleuning en loopt mee naar binnen. Ze ziet deze keer opvallend bleek.

De geluiden maken Klazien wakker. Geeuwend staat ze op en zoent Janneke op beide wangen. ‘Ik ben blij dat je er bent, meis.’ Voor het eerst die dag sprankelen haar ogen.

Janneke ploft op een stoel neer en strekt haar benen languit voor zich uit. Ze kijkt van Klazien naar Jan. ‘Hoe gaat het met jullie?’ Ze lijkt te aarzelen om het gesprek op gang te brengen.

‘Waardeloos, het dorpsbestuur wil, dwars door de weilanden, een snelweg aanleggen. Zodra het plan door de gemeenteraad is goedgekeurd, moeten wij hier weg.’ De ader op Jans slaap zwelt op.

‘Zo’n vaart loopt het vast niet. Willen jullie thee?’ Klazien drentelt naar de keuken.

‘Als een struisvogel, altijd die kop in het zand.’ Jan kijkt zijn vrouw na.

Janneke draait haar hoofd met een frons in zijn richting.

‘Elke dag wisselen we louter oppervlakkige woorden. Zodra een gesprek de diepte in dreigt te gaan, gaat je moeder in emotionele quarantaine. Het is alsof ze geen gevoelens heeft.’ De weerzin klinkt in zijn woorden door.

‘Vroeger toch wel?’

‘Ach, vroeger. Toen was ze een mooie meid. Kijk nu eens naar wat daarvan is overgebleven.’ Zodra hij zijn handen opheft, ontsnapt een zure walm aan zijn oksels. Even valt er een stilte. ‘Het lijkt alsof ze gêne voelt bij het uiten van haar gedachten.’

‘Misschien moeten jullie eens naar een psycholoog gaan.’ Vragend heft Janneke haar gezicht naar hem op.

‘Daar krijg ik haar met geen tien wilde paarden naar toe.’ Met een zucht waarin zijn ergernis doorklinkt, masseert Jan zijn nekspieren. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd.’

‘Ligt het dan misschien aan jou? Ik kan probleemloos over van alles met haar spreken.’

In zijn oren klinkt de stem van Janneke beschuldigend.

‘Godverdomme, begin jij nou ook al, wat weet jij er nou van?’ Jan werpt haar een kille blik vol wrevel toe en slaat zo hard met zijn hand op het wankele bijzettafeltje dat het kraakt.

‘Wij mochten als kind nooit onze mening geven, vooral niet wanneer die haaks op de jouwe stond. Dan liet je ons niet uitpraten…’

Plompverloren valt hij haar in de rede. ‘Wat een kuttekop ben je toch. Steeds maar klagen over hoe slecht je het vroeger bij ons had.’

Zonder een woord, met haar handen tegen de oren gedrukt, loopt Janneke de kamer uit.

Vrouwen in huis, wat heb je eraan. Altijd houden ze elkaar de hand boven het hoofd. Jan huivert. Na die knetterende ruzie met de kerstdagen, willen zijn twee andere dochters hem niet meer zien. Het gezin valt in brokstukken uit elkaar. Net zoals straks het huis waar ze allemaal onder één dak hebben gewoond. Hij neemt de kamer in zich op alsof hij die voor de laatste keer ziet. De eikenhouten kast van zijn ouders, de Chinese potten van haar ouders er bovenop, de zilveren fotolijstjes met de geschiedenis van een leven samen. Zijn keel knijpt dicht. Waar is het fout gegaan?

Het geluid van knerpend grint treft zijn oor. Moeizaam hijst hij zich overeind en kijkt door het raam. Met de arm van Janneke om haar schouders wandelt Klazien, zonder een blik achterom te werpen, van het huis weg. In haar vuist klemt ze een geruit weekendkoffertje.

‘Klazien!’ Zijn schreeuw dringt niet ver genoeg door de ruiten heen.

Voordat hij de voordeur bereikt, werpt het licht van koplampen een laatste groet over de gevel. Machteloos tuurt hij naar de rode achterlichten die in de verte verdwijnen.

Hij grijpt een sigaret en vloekt wanneer de wind zijn aansteker uitblaast.

Tegen beter weten in, blijft hij tot het laatste licht van de dag wachten. Alle dochters en zijn eigen vrouw die zich opeens tegen hem keren. Is hij daarvoor bijna vijftig jaar getrouwd? Of dat zo lollig is. Wat heeft hij nog aan zijn leven, vooral wanneer zijn boerderij het straks genadeloos tegen de bureaucratie moet afleggen. In een razernij beklimt hij de trap en trekt een koffer onder het bed in hun slaapkamer vandaan. Woedend wandelt hij door het huis en pakt uit elke kamer iets mee, een ingelijste foto van hun bruiloft, een gek hoedje van Klazien, de zilveren rammelaar van Janneke, de geboortebeker van haar zuster. De parafernalia van een leven samen. Met wild gebaren propt hij alles in de koffer, die daarna slechts met de grootste moeite dicht kan. In grote hanenpoten schrijft hij met een permanentstift ‘Klazien’ op de buitenkant, voordat hij het gevaarte bonkend de treden aftrekt. Wat zal ze denken wanneer ze de koffer openmaakt? Zal het haar spijten?

Middenin de schuur op het eind van zijn erf, zet hij het loodzware ding neer en wandelt terug naar de boerderij.

Van de plank in de keuken grijpt hij naar de emaille blauwgewolkte kan voor het petroleumstel en giet de inhoud ervan leeg over de gordijnen. Nog één keer kijkt hij de keuken rond, voordat hij met trillende handen zijn aansteker, met een zo ver als mogelijk uitgestrekte arm, bij de doorweekte gordijnstof houdt. Woesjh, een vlam flikkert op.

Zo snel als zijn benen het toelaten, jakkert hij terug naar de schuur en beklimt, omhangen met een touw, met moeite de wiebelende koffer. De lus van het touw werpt hij over de houten balk van het gebint. In de schuur valt de zwarte stinkende rook uit het huis al te ruiken. Onzeker schraapt Jan zijn keel. Een dikke fluim speeksel belandt op de vloer. Voordat hij zijn hoofd door het touw steekt, haalt hij nog één keer diep adem. Is dit echt wat hij wil of voelt hij zich voor het blok gezet? Is er geen andere uitweg dan dit onheilsscenario? Had hij een brief moeten schrijven, in steekwoorden iets moeten uitleggen aan zijn dochters? De gedachte overvalt hem. Zij hebben mede schuld aan zijn krankzinnige situatie, zelfs al was dit misschien niet hun bedoeling. Weten ze welk ongemak achter dit drama schuilgaat? Zelf had hij zich de afloop van hun gezinsleven anders voorgesteld. Aan de ander kant is het bijna alsof hij heel lang op dit moment heeft gewacht. Na een korte huivering steekt hij koppig en vastberaden zijn hoofd door de lus en geeft de koffer theatraal een harde trap. Op de wieltjes rolt de koffer net buiten bereik van zijn voeten. Wat gebeurd is, is gebeurd, spookt als allerlaatste gedachte door zijn hoofd.

Cecile Koops © 2020

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *