Ondanks een op volle sterkte blazende airco prikt het zweet op zijn voorhoofd.

‘Amsterdam,’ had zijn baas aangedrongen. ‘Niet zo ver weg. Iedereen spreekt er Engels, dus laat je Schotse accent maar thuis.’

Hoewel Logan zijn vakantiedagen het liefst thuis doorbrengt, laten gedachtes aan een buitenland zijn hoofd ditmaal niet met rust, met als gevolg dat hij vandaag geagiteerd bij de gate arriveert. Tijdens het inchecken blijkt zijn koffer te zwaar. Liever dan bijbetalen, trekt hij narrig lagen T-shirts en truien over elkaar aan, net zolang totdat zijn koffer binnen de geaccepteerde gewichtsgrens komt. Als een Michelin-mannetje stommelt hij, warm van het rennen, vlak voor vertrek naar zijn zitplaats.

Zijn baas heeft hij in de waan gelaten dat deze reis hem helpt zijn verlies te verwerken. Treuren hoeft hij echter niet langer, gedurende hun leven heeft hij meer dan genoeg om zijn ouders gerouwd. Na hun dood liet hij geen traan. Aan zijn oog trekt de ouderlijke woning in Drumnadrochit bij Loch Ness voorbij. Een somber huis dat onderaan de heuvel ligt te vergaan door de dampige vochtigheid die uit het meer opstijgt en die de houten balken aanvreet. Bijna ongemerkt is hij er van baby naar tiener, naar man van middelbare leeftijd getransformeerd en nu is het huis van hem.

‘Riemen vastmaken alstublieft.’

De stem uit de cockpit verstoort enkele seconden zijn gedachten. Het toestel stijgt door wattige wolken op naar een felblauwe lucht.

Eindelijk een zonnetje. De laatste weken waren zo grauw en naargeestig. Ook bij het donkere meer waarop hij dagelijks als schipper vaart over de onpeilbare dieptes die hun geheim nooit prijsgeven. Opgejut door enthousiaste verhalen van de gidsen aan boord loert hij elke avond, zeker een uur of misschien langer, met een nachtkijker door de beslagen ramen van de kamer naar het inktzwarte meer. Elke keer in de hoop een glimp of een teken van leven van het monster op te vangen. Logan ziet het tafereel al voor zich, het logge lichaam, de kop op de lange nek die als een periscoop boven het water uitsteekt.

Bij de ‘niets aan te geven’ uitgang wordt hij met zijn ridicule aanzien direct apart genomen. Alle lagen kleding moeten uit. De vernedering! Met een vuurrode kop van woede komt de stoom bijkans uit zijn oren. Zijn uitstap begint niet erg veelbelovend.

Die avond na een rondvaart over de grachten, in het centrum waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan – slootjes in vergelijking met zijn weidse meer, maar wel heerlijk om zich eens te laten varen – slentert Logan naar de vierde kroeg op rij. Bijna draait hij zich van schrik schichtig op zijn hielen om. Uit de speakers rolt jazzmuziek door het café en over de stoep ervoor. Hij heeft nooit van jazz gehouden. Op hetzelfde moment dat de klanken tot hem doordringen, monstert zijn oog een zeer aantrekkelijke dame. Blond en vrij luchtig gekleed voor deze avond, geeft zij geeft de doorslag om hem met een zweem van een glimlach rond zijn mond, over de drempel te laten stappen.

Met gemengde gevoelens denkt terug aan de enige dag in zijn leven dat hij een vriendin had. Een meisje dat in de ogen van zijn klasgenoten, in hun woorden, een lelijk manwijf was. Bij het chique restaurant waar hij haar mee naartoe nam, lag ze na slechts drie glazen wijn over de wc-pot te braken. Opnieuw voelt hij de schaamte die hem toen overviel. Meisjes kun je maar beter laten, had hij gedacht. Voor het eerst sinds die dag wankelt zijn voornemen.

Voordat hij zijn geluk bij de blonde dame kan beproeven, moet hij een sanitaire stop maken. De rij wachtenden voor het toilet is te lang voor iemand wiens blaas op knappen staat. Onvast drentelt hij naar de rand van de gracht, trekt zijn gulp open en steekt intussen een sigaret op. Diep inhalerend staart hij, met de jazzy muziek als achtergrondruis, over het water en ziet een vreemde bult in de gracht verschijnen. Hij doet een mislukte poging zijn ogen scherp te stellen. Als verdoofd kijkt hij over het water uit en krijgt de aangenaamste ervaring van zijn leven. Zijn blik wrikt zich niet meer los van wat hij denkt te zien.

‘Nessie!’ Met een oerkreet en zijn hoofd vooruit duikt hij opgewonden het grauwe water in. Even vertoont het water een serie rimpelende kringen bij het zwakke lamplicht. Logan komt niet meer boven. Met een bonk blaast de wind een stuk hout tegen de kade aan.

Cecile Koops 2020

 

 

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *