Dit verhaal stond op de longlist voor de maand mei bij ‘Verhaal van de maand.’

KERMISWEEK 

Tien keer dreunen de slagen, met een klank dieper dan een oceaan. Bertus telt in zijn hoofd met de klok van de oude kerk mee.

‘Je ziet er mooi uit.’ Zijn lijzige stem spreekt in de lokale tongval. Begerig trekt hij zijn vrouw naar zich toe en schuift de jurk, die haar stevige lichaam nauw omspant, omhoog tot ver over haar vlezige dijen. ‘Kunnen we niet even snel? Ik heb er nu zin in.’

‘Je weet dat ik niet van vluggertjes houd. Kijk me niet zo aan met die hondenogen van je.’

Ondanks haar woorden komt Bertus dichterbij en streelt een blote rug. Tiny duwt hem bruusk weg en trekt haar jurk omlaag. Met een haastig om haar schouders geslagen dunne sjaal roept ze vanuit de hal. ‘Kom, we moeten gaan.’

Meer om zich een houding te geven dan dat hij er trek in heeft, steekt Bertus een sigaret op. Met een nors gezicht stapt hij de bedorven sfeer van de kamer uit.

Ze marcheren de Melkweg af, langs de witte boerderij uit 1875, langs de oude drukkerij en de scheve huisjes aan het klinkerstraatje. Ochtendmist dompelt de omgeving in een diffuus licht. Bijna elke dag nemen ze deze route. De laatste tijd ook op zondag, nu het dorp niet langer in de greep van streng gelovigen is. Zoals gewoonlijk zwijgen ze en raken elkaar onderweg niet aan. Na een korte wandeling arriveren ze bij hun restaurant in het oude dorp. Het bevindt zich in een voormalige boerderij met aan weerszijden de karakteristieke lindenbomen, die hoog boven de bebouwing uitsteken. Met een grijs pannendak en roedeverdeelde ramen is het monumentale pand een plaatje om te zien.

Op de automatische piloot werken ze in de professionele keuken aan de voorbereidingen voor de lunch. Sinds ze – drie jaar geleden – deze zaak kochten, draait hij boven verwachting. Het saldo op hun bankrekening heeft een maandelijks stijgende lijn.

‘Heb jij je vader gebeld?’ Haar stem klinkt als een scheermes. ‘Volgens mij heb je de afgelopen maanden niet meer dan dertig woorden met hem gewisseld.’ Met kracht duwt Tiny doorgesneden sinaasappels op een citruspers en vangt het sap op in een glazen kan.

Bertus hakt uien. ‘Geen tijd gehad.’ Hij denkt niet vaak aan zijn ouders die in het verzorgingshuis verderop in het dorp wonen. Hun fysieke conditie verhindert dat zij bij hem langskomen en hij is vergeten wanneer hij hen voor het laatst een bezoek bracht. In een mager zonnetje schuift hij stoelen het terras op en veegt de buitentafels schoon. Ruim voor de openingstijd om twaalf uur is hij klaar.

Twee dagen later rinkelt hun telefoon. Bertus neemt hem op.

Aan de andere kant van de lijn klinkt een bevende stem. ‘Dag jongen, hoe is het met jullie?’

‘Goed pa, alles gaat goed, maar we hebben het heel erg druk.’

‘Kom je nog eens langs?’

‘Ik doe mijn best, groeten aan ma.’ Hij legt de telefoon weg, wetend dat hij ook deze keer niet zal verschijnen. Zijn moeder kent zijn naam niet meer en zijn vader kan door Parkinson niet langer lopen. Wat heeft hij nou aan die bezoekjes. Wrevelig duwt hij een opkomend schuldgevoel weg.

 

Die avond hangen vaste klanten Wim en Nol aan de bar van het restaurant. Met een blauwgrijs geblokte theedoek over zijn schouder, schuift Bertus twee glazen bier over de toog en pakt er zelf ook één. ‘Proost mannen.’

‘Ik was gisteren bij het bejaardenhuis om met mijn moeder te wandelen. Weet je wat ze vertelde?’ Nol werpt een blik van verstandhouding naar Bertus.

‘Nee, geen idee. Maakt het wat uit?’ Bertus neemt hem vorsend op.

‘Ze heeft gehoord dat jij nooit bij je ouders op bezoek komt en dat zij er veel verdriet van hebben.’

Stelletje kletskousen. Bertus reageert niet.

‘Pas maar op, straks neemt de eenogige wraak.’ Wim cirkelt met wapperende vingers zijn hand om geheimzinnig over te komen.

Bertus duwt zijn bril hoger op zijn neus. ‘Welke eenogige?’

‘Ken jij die sage niet?’ Wim steekt van maar al te graag van wal. ‘Vroeger was er buiten Huizen een herberg. De waard en zijn vrouw werden rijker en rijker en daardoor hebzuchtiger en hartelozer. De moeder van de waard stierf en zijn vader kwam in het kleinste, koudste kamertje bij hem in huis wonen. Zelfs dat was hem te veel. Op een koude winteravond verjoeg de hebberige zoon zijn vader naar de hei. Daar kwamen twee ruiters aandraven op paarden die leken te vliegen. Eén van de ruiters had één oog. Ze gingen de herberg binnen en riepen de waard op het matje. Diezelfde nacht stierven zowel de waard als zijn harteloze vrouw en niet veel later brandde de herberg volledig af.’ Wim zwijgt een moment en loert naar Bertus. ‘De moraal van het verhaal is, eert uw ouders. Met name wanneer zij arm en eenvoudig zijn en jijzelf rijk en voornaam bent geworden.’

Nol huivert. ‘Wat een treurig verhaal. Stel je eens voor …’

‘Man, val ons toch niet lastig met die onzin.’ Bertus buigt naar voren en zegt stellig: ‘Angst is nergens voor nodig. Drink liever je bier op voordat het lauw wordt.’

 

Vijf dagen later komt hun ober niet op de afgesproken tijd opdagen. Bertus checkt zijn horloge. Het is niets voor Harm om weg te blijven zonder iets van zich te laten horen. Moet hij Evelien, die op de reservelijst staat, laten komen? Met zijn handen in de zakken van zijn versleten jas kijkt hij of hij buiten iets kan ontwaren. Terwijl hij met zichzelf overlegt wat hij moet doen, hoort hij in de verte de knetterende scooter van Harm aankomen.

‘Jongen, wat ben je laat. Ik maakte me al zorgen.’ Bertus begroet hem met zijn zwaar doorrookte stem. ‘Wat zie je bleek, voel je je niet lekker?’

Harm ziet eruit alsof hij een schok heeft gekregen. Zijn gezicht is grauw en zijn handen trillen. Terwijl hij zich uit zijn motorjack pelt, vertelt hij met een verstikte stem. ‘Sorry Bertus, mijn weg was versperd. Ik reed het pad langs het Gooimeer af. Halverwege mijn route blokkeerden twee mannen te paard het pad. Eén paard bleef voor mij staan en het andere ging achter mij staan. Doodeng, ik kon geen kant uit. De ruiters spraken geen woord en staarden indringend naar me. Zelf durfde ik ook niets te zeggen. Eén van die mannen droeg een ooglapje over zijn linkeroog, uit zijn andere oog leek wel licht te stromen. Alles bij elkaar duurde het zo’n tien minuten en al die tijd bleven ze roerloos staan. Uiteindelijk galoppeerden ze zwijgend weg.’ Harm schudt zijn hoofd in verbijstering. ‘Mijn hart ging zo tekeer dat ik dacht dat ik erin zou blijven. Pas na een paar keer diep in- en uitademen, durfde ik op de scooter te stappen en weg te rijden.’ De woorden rollen geknepen uit zijn mond.

Een moment slaat Bertus de schrik om het hart. Dan herpakt hij zich en vervloekt zichzelf. Wat een verdorven idee, alsof een eeuwenoude sage wraak kan nemen. Hij moet zich niet zo aanstellen. ‘Nou jongen, daar kan geen Netflix tegenop. Schiet maar op want de keuken draait al op volle toeren.’ Hij duwt Harm naar binnen, vastbesloten het voorval te vergeten.

 

Omdat de zaken zo goed gaan, hebben Bertus en Tiny een villa in Blaricum gekocht. In de immense tuin bevindt zich een separaat gastenverblijf.

‘Waarom bieden we je ouders geen onderdak in dat gastenhuis? We huren zorg voor hen in. Op die manier zien ze hun zoon regelmatig en voor hen is dat duizend keer beter dan in zo’n verzorgingshuis weg te kwijnen.’ Tiny kijkt hem vragend aan.

‘Ik pieker er niet over, dat geeft allemaal rompslomp en in dat geval kunnen wij geen gasten ontvangen.’

‘Onzin, het grote huis heeft toch ook meerdere slaapkamers?’

‘Nee, ik wil het niet en het gebeurt ook niet. Ik laat af en toe iets van me horen. Op hun beider verjaardagen heb ik ze een kaartje gestuurd.’

Beschaamd draait Tiny haar handen met de handpalmen naar boven en trekt haar schouders omhoog.

 

In augustus breekt de jaarlijkse kermisweek in Blaricum aan. Zoals elk jaar zijn Bertus en Tiny van de partij. Voor een paar uur hebben ze hun restaurant aan de goede zorgen van Harm en Evelien overgelaten. Na het bekijken van een liveoptreden bij café Moeke Spijkstra treffen ze enkele vrienden en slenteren met hen naar de nabijgelegen kermis. Bertus banjert met een John Wayne-loopje voor de anderen uit. Hij is vergeten hoe druk het altijd op de jaarlijkse kermis is. Tussen de mensenmassa door schuifelen ze over de kermis. Flarden muziek vanuit de verschillende attracties op het terrein vermengen zich met elkaar. In een opwelling pakt hij Tiny’s arm en loopt naar het hokje waar ze kaartjes voor de draaimolen verkopen.

‘Iedereen een rondje?’ vraagt hij over zijn schouder.

Hun vrienden passen. Bertus en Tilly nemen plaats op de zadels van twee naast elkaar staande schimmels. Elk paard wordt, met zijn galopperende benen los van de grond, overeind gehouden door een spiraalvormige gouden staaf die vanaf de vloer van de draaimolen tot ver boven het paard uitsteekt. Wanneer de bel klingelt gaat de molen draaien. Rustig deinen hun paarden op en neer. Ze lachen en zwaaien naar de vrienden die op straat op hen wachten.

De snelheid wordt opgevoerd. Harder en harder tollen ze in het rond, alsof de paarden daadwerkelijk op hol zijn geslagen.

‘O, mijn God!’ Tiny krijst hysterisch. ‘Wat gebeurt er?’ Met harde angstige ogen staart ze Bertus aan. Hoog torent ze boven hem uit op haar ros. Eindeloos vliegen de twee paarden als een razende in het rond en op en neer. Bertus klampt zich krampachtig vast aan de gouden spiraal van zijn paard. Vanuit zijn ooghoek ziet hij dat Tiny het niet lang kan volhouden, haar vingers laten hun greep verslappen. Wanhopig probeert hij haar te hulp te schieten. Voor het zover is, laat zij de spiraal ongewild los. Over het hoofd van haar paard heen wordt ze op straat geslingerd. Hun vrienden buigen zich geschokt over haar heen.

Bertus schreeuwt en gilt. Vergeefs probeert hij van zijn paard te klimmen. Speeksel druipt over zijn gezicht en zweet jeukt op zijn rug. Met elke ronde wordt hij duizeliger en snakt hij naar lucht in een wereld die voor zijn ogen draait. Vreemd genoeg lijken de kinderen op de draaimolen nergens last van te hebben. Bertus hoort hun hoge stemmen en hun vrolijke gelach. De draaimolenlichten doen pijn aan zijn ogen. Kleurvlakken vervagen, als gefragmenteerde stukjes in een caleidoscoop rolt de wereld aan hem voorbij. In wanhopige woede blikt hij rond. Door halfdicht geknepen ogen ontdekt hij een grijnzende man met ingevallen wangen, in het midden van de draaimolen. Bertus knippert om hem scherp te krijgen. De man staat bewegingsloos. Over zijn linkeroog hangt een zwart ooglapje. Met zijn andere oog kijkt hij geïnteresseerd toe hoe Bertus als een lappenpop rondzwaait. Rond zijn lippen hangt een zweem van vermaak. Vlak voor Bertus het bewustzijn verliest, verroert de man in het midden zich. Hij balt zijn hand tot een vuist en houdt die, met zijn middelvinger opgestoken, hoog in de lucht. Waarom dringt de herinnering aan zijn ouders zich aan hem op? Ach vader, is zijn laatste gedachte voordat de draaimolen stopt en hij voorover van zijn paard slaat. Met een harde klap raakt hij de bodem van de draaimolen. Met zijn hoofd in een vreemde knik gedraaid, ligt hij roerloos op de vloer. Een voortand, die tegen de spiraal sloeg, is afgebroken. Bloed loopt in een straaltje vanaf de draaimolen de goot in. Uit de troebele ogen van Bertus valt zijn eerdere doodsangst niet meer op te maken. Een sliert speeksel druipt van zijn mond.

De man met het ooglapje werpt een terloopse blik op de verkrampte Bertus en zwenkt een moment naar de jammerende Tiny, daarna trekt hij zijn schouders naar achteren en verdwijnt ongezien te midden van mensen en kermisattracties. De muziek is gestopt en de vrienden schreeuwen om hulp voor Tiny.

Naast de kermis, op de weg naar Huizen, klinkt het naderende geluid van loeiende sirenes. Twee brandweerauto’s razen voorbij. In de verte stijgen grote zwarte rookpluimen naar de hemel op.

© Cecile Koops – 2020

 

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *