Verdomme, Janet proeft het woord op haar lippen terwijl ze door de wirwar van straatjes loopt. Een druppel bloed valt van haar hoofdwond langs haar lip. Zwalkend van de ene naar de andere kant in de smalle straat, blijft ze nauwelijks op de been. Als een bal stuitert ze omlaag, de heuvel af naar waar ze het treinstation vermoedt. Haar vingertoppen schuren langs de ruwe stenen huizen zodra ze houvast zoekt.

Op de boulevard overstemmen geluiden van flanerende mensen het bonzen van haar hart. Als een stroboscoop verlicht een aan en uit knipperende neonreclame een stuk van het strand. Ze schenkt de schokkerig bewegende mensen op het zand geen aandacht. De kraag van haar ontoereikende jas hoog opgeslagen tegen de wind die haar tot het bot verkilt.

‘Hé meissie, ben je verdwaald?’ Een rondbuikige zeeman vraagt het vriendelijk.

Ze mag niemand vertrouwen, niemand!

‘Nee, bedankt.’

Wegsnellen van hier. Haar gedachten razen en ze vloekt binnensmonds. Het had zo’n goed idee geleken, achterin de vrachtwagen meerijden.

Bij daglicht steken de zomerkleren – waarmee iedereen een wereldbol verderop is vertrokken – fel af tegen het ijle najaarszonnetje. De chauffeur telt haar spaargeld met begerige vingers na. In de volle laadruimte valt kleur niet meer te onderscheiden, alles wordt grauw. Niemand spreekt een woord, er wordt zelfs niet gefluisterd. Na het dichtvallen van de deur is het aardedonker. Geen donker waar ogen aan kunnen wennen, geen schimmen, alleen de zure walm van ongewassen mensen lang op reis.

Janet heeft geen idee hoe lang de wagen stilstaat. Haar hoofd bonkt, ze hunkert naar frisse lucht. Tijdens de forse schommelingen van de zee sluit ze een moment haar ogen. Ze mag niet toegeven aan haar slaap, niet voor ze veilig is. Na wat uren lijkt, zet de auto zich in beweging. Zijn ze in Engeland? Een verkrampt lichaam lijkt te bewegen.

‘Gaat het?’

‘Ik ben bang dat we het niet halen. Merk je niet hoe warm het wordt en hoe benauwd? We krijgen geen lucht genoeg.’ De vrouwenstem kokhalst.

‘Mijn God, die chauffeur laat ons toch niet stikken? Kom op, lawaai maken totdat hij het hoort.’

Wanhopig slaan ze hun vuisten stuk op de wanden van de wagen, eerst tegelijk dan bij toerbeurten. De auto raast voort.

Wanneer ze alle hoop hebben opgegeven, komt de wagen slingerend tot stilstand. Iedereen gilt en bonkt met rauwe, opengereten handen tegen de ijzeren wanden. Deuren zwaaien open. Knipperend tegen plotseling avondlicht, onderscheiden ze silhouetten van politieagenten.

‘Allemaal naar buiten. Dit is een wegblokkade tegen illegalen en mensensmokkelaars. Jullie worden voor ondervraging meegenomen, de chauffeur is gearresteerd.’

Verdoofd en verdwaasd staan de meesten op. In de toestromende lucht ademen ze hun longen vol.

‘Mogen we eerst plassen?’ vraagt een vrouw.

Janet duikt, naast de hurkende vrouwen, achter een struik in de greppel en sluipt weg. Niemand merkt op dat zij niet terugkeert.

Zolang je geld bezit, kun je vrijheid kopen, flitsen de afscheidswoorden van haar moeder door haar hoofd. Ze frummelt aan de resterende bankbiljetten in haar broekzak.

Cecile Koops © 2019

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *