BOSRUST

Marions voetstappen knerpen over de sneeuw. Voor ze ‘Bosrust’ binnenloopt, stampt ze klonterige brokken ijs van haar laarzen. Zodra de deur opengaat, verdrijft een vlaag koude wind de warmte uit de hal. In de gang naar het restaurant blaast ze op haar rood geworden handen. Ouderen hangen onderuit gezakt op stevige stoelen rond de verspreid staande tafels in de zaal. Een muffe lucht van verschraald eten vermengt zich met de geur van incontinentie luiers. De kamertemperatuur evenaart die van een tropisch zwembad. Marion pelt zich uit haar winterjas en gooit deze samen met haar sjaal over een lege stoel. Al snel vormt zich onder de stoel een plasje smeltwater van de sneeuw die aan haar jas plakte.

‘Hallo Alice, gezellig dat je er vandaag ook weer bij bent,’ zegt ze tegen een kleine spichtige vrouw.

De vrouw kijkt haar vragend aan. ‘Is mijn vader al overleden?’

‘Ja Alice, hij is een paar jaar geleden overleden.’

Alice staart glazig langs haar heen. ‘En mijn moeder?’

‘Die is ook overleden.’

Marion blikt de eetzaal rond. Jammer, meneer Smid is ook van de partij. De immer klagende, narrige bejaarde heeft de sfeer meer dan eens voor de anderen heeft verpest. Tot aan zijn pensioen bestierde hij een hondenfokkerij. Het verhaal gaat dat hij pups die niet volmaakt waren, eigenhandig de nek omdraaide. Of die mare op waarheid berust, valt niet te achterhalen. Ze zucht nauwelijks hoorbaar en grijpt de voor haar gereedstaande microfoon.

‘Goedemiddag dames en heren, ik ga vanmiddag een paar prachtige verhalen voorlezen. Ga er maar eens lekker voor zitten.’

‘Zijn mijn ouders dood?’ vraagt Alice opnieuw.

Voor Marion kan antwoorden, neemt meneer Smid het woord. ‘Ze zijn al jaren dood mens, dat hebben we je al tachtig keer verteld. Hou nou eens een keer op met dat gezeur.’

‘Dat is niet erg aardig van u.’ Marion kan het niet nalaten meneer Smid te adresseren. Hij haalt zijn schouders op en neemt onaangedaan een slok uit het glas dat voor hem op tafel staat.

Ze vertelt een verhaal over vroegere tijden, haar woorden duidelijk articulerend en het volume van haar stem luid aanzettend.

‘Ja, zo was het precies,’ mompelt een oudje na afloop van het verhaal.

‘Willen jullie er nog één horen?’

De bewoners knikken enthousiast en ze gaat verder met voorlezen.

 

Na afloop brengt ze, samen met andere vrijwilligers, mensen terug naar hun kamer. Alice klampt zich aan haar vast alsof zij een reddingsboei in een woeste zee is.

‘Kom maar mee Alice, ik weet waar jouw kamer is.’

‘Weet jij of mijn ouders nog leven?’

Hun voeten schuifelen over het vinyl, tot aan de deur van Alice’s kamer. Marion duwt de klink van de deur omlaag en zwaait hem open. De kamers in het tehuis kunnen – beter gezegd, mogen – niet op slot. In de kamer staan fraaie antieke meubels en aan de muur hangt mooie kunst. Marion herkent een schilderij van Mauve met een heideveld vol schapen. Helaas schreeuwen fotolijstjes en prullaria op elke denkbare plek om aandacht. Ze helpt Alice in haar luie stoel.

‘Tot de volgende keer.’

‘Wanneer kom je weer?’

‘Zal ik het in je agenda schrijven? Kijk, volgende week vrijdag kom ik weer voorlezen.’

‘Leuk, ik vind het echt leuk al die verhalen. Je hebt een mooie warme stem,’ zegt Alice in een helder moment. ‘Ik ga graag naar beneden, op mijn eigen kamer praat ik tegen mezelf. Dat is niks, al heb ik dan wel altijd gelijk.’

Marion lacht om haar logica en trekt de deur, met een laatste zwaai naar Alice, achter zich dicht. Op de gang drentelt meneer Smid voorbij.

Ligt uw kamer niet in de andere vleugel?’

‘Ja, ik maak vandaag op de gangen een wandelingetje, mag dat soms niet?’ snauwt hij haar toe voor hij verder kuiert. Marion zwijgt en kijkt hem na. De mouwen van zijn te krap geworden jasje glimmen in het licht van neonbuizen die de gang verlichten.

Zij loopt de andere kant op, naar de uitgang. Buiten vallen, naast de donkere schaduwen van de her en der op het terrein verspreid staande bomen, de eerste vlokken. Haar fiets rolt met moeite over de rulle sneeuw op het terrein. Voor ze bij de weg opstapt, trekt ze een zelfgebreide muts uit haar fietstas en duwt hem stevig op haar rode krullen. Met haar hoofd gebogen trapt ze, tegen de moordende wind in, naar huis. Halverwege begint het harder te sneeuwen.

 

‘Hoe ging het?’ vraagt haar man Hans zodra ze thuiskomt.

Verwaaid, koud en nat legt ze haar jas over de radiator in de hal en werpt haar muts over een haak van de kapstok. Hoera, in één keer raak, dat voorspelt een goeie avond. Als ze misgooit, moet ze het net zolang overdoen tot het lukt, anders brengt dat ongeluk.

‘Het voorlezen ging prima, maar het blijft elke keer schrijnend om te horen dat veel ouderen amper bezoek krijgen.’

‘Jij verschaft hen in elk geval wat afleiding in hun saaie bestaan.’

Marion zucht en loopt naar de koelkast. ‘Ik vind dat ik een glas wijn verdien, wil jij ook?’

Hans knikt. ‘Ik hoop dat wij hier nog heel lang kunnen wonen, zo’n tehuis lijkt me afschuwelijk.’

‘Dat is het ook. Door de gangen zwerven afgeleefde mensen die niet of nauwelijks kunnen communiceren.’ Een rilling trekt door haar lijf.

 

Een week later zet Marion haar fiets tegen een boom, aan de rand van het bos waarnaar het huis is vernoemd en pakt drie nieuwe boeken uit haar fietstas.

In het voorbijgaan steekt zij haar hand op naar de receptioniste en rept zich door de gang naar de eetzaal. Inmiddels is daar een kerstboom met kleurige ballen en slingers opgetuigd. De gekleurde lichtjes verspreiden een spectrum aan kleurige spikkels door de zaal. Marion groet de vrijwilliger die thee schenkt en loopt naar haar microfoon toe. Ze speurt de zaal rond. Gelukkig, meneer Smid is er vandaag niet bij met zijn narrige opmerkingen.

‘Gezellig dat jullie er allemaal zijn. Vandaag heb ik oude volksverhalen meegenomen.’

Ze wacht even tot iedereen van een kop thee en een kerstkransje is voorzien en steekt van wal.

Alice jammert: ‘ik hoor niks, mijn apparaat is, denk ik, leeg en de batterijen liggen op mijn kamer.’

‘Ik haal ze wel,’ biedt Marion aan. ‘Drink jij maar lekker je thee op.’

Ze snelt de zaal uit, duwt bij de kamer van Alice de deurklink omlaag en loopt naar binnen. Even deinst ze achteruit bij het zien van een bevreemdend schouwspel. In de kamer staat meneer Smid op een stoel, zijn handen uitgestoken naar een schilderij.

‘Wat doet u, meneer Smid?’

‘Ik hang een schilderij op, dat ziet je toch? Alice vroeg of ik het wilde schoonmaken.’

Hij hangt de lijst recht en stapt de stoel af. ‘Zo die hangt weer.’ Zonder verder een woord te wisselen loopt hij de kamer uit.

Marion speurt de kamer rond en ziet een doosje batterijen naast de fruitschaal op tafel liggen. Ze grijpt het beet en haast zich terug naar de eetzaal. Jakkes, nu zit meneer Smid toch beneden. Ze geeft het doosje aan de verzorgster die het gehoorapparaat vakkundig opent om de nieuwe batterijen erin te stoppen.  

‘Er was eens een bakkersknecht die door zijn baas werd weggejaagd. Nergens vond hij onderdak en hij ging op weg naar de stad. Onderweg hoorde hij in een groot bos, waar geen levende ziel was te bekennen, een zacht gejammer …’

Haar stem weerkaatst hol door de ruimte waarin alle stoffering ontbreekt. De ouderen luisteren aandachtig en lijken geboeid door het verhaal. Omdat het vrij korte verhalen betreft, leest ze meerdere sages voor. Dan is ze schor en breit er een eind aan. Zoals gewoonlijk brengt ze na afloop weer een paar bewoners naar hun kamer. In de gang werpen glas-in-loodramen een mozaïek van lichtvlekken op de vloer. 

 

Ze babbelt na met Alice. ‘Fijn dat je schilderij is schoongemaakt.’

Alice zegt met de onzekere stem van een haar ontnomen geheugen: ‘Schoongemaakt? Ik weet van niks. Leven mijn ouders trouwens nog?’

‘Nee, niet meer. Heb je dan niet aan meneer Smid gevraagd om die Mauve schoon te maken?’

‘Volgens mij niet. Maar ik vergeet erg veel, dus misschien toch?’ Alice blikt nadenkend in de verte.

‘Misschien schiet het je later weer te binnen.’

Alice luistert niet en tuurt naar het schilderij. ‘Het ziet er volgens mij nog exact hetzelfde uit.’

Marion bekijkt het doek. De kleuren lijken niet erg opgefrist, zoals je na een schoonmaakbeurt wel zou verwachten. Ze buigt zich wat dichter naar het doek toe.

‘Ik moet bekennen dat ik ook geen verschil zie. Ik ga ervandoor, ik heb thuis ook nog het een en ander doen. Tot de volgende keer.’

 

Het snerpende geluid van het brandalarm rinkelt nog voor ze bij de centrale hal aankomt. Een blikkerige stem geeft instructies. ‘Wil iedereen alstublieft zo snel mogelijk naar buiten gaan. Maak geen gebruik van de liften en blijf niet op uw kamer.’

De gangen vullen zich met een lucht van verbrand rubber. In de verte loeien sirenes. In de hal is het een chaos, iedereen rent door elkaar. Ouderen jammeren, verzorgers schreeuwen commando’s en buiten staan mensen zonder jas te bibberen in de kou.

De brandweer heeft alles snel onder controle en iedereen mag in de eetzaal bijkomen van de schrik.

‘Dan laat je geen kaarsen toe, vanwege het brandgevaar en dan krijg je dat,’ klaagt de receptioniste. ‘Een bejaarde vrouw heeft op haar kamer de rubberen lonten van nep-kaarsen aangestoken, wat tot extreem veel rookontwikkeling leidde.’

Marion biedt haar hulp aan om straks de geschrokken inwoners naar hun kamers te begeleiden. Hans moet zich maar even zonder haar redden. Haar ogen dwalen omhoog naar de glazen wanden op de eerste verdieping. Voor de deur van een kamer boven staat het silhouet van een man afgetekend. Terwijl ze kijkt beweegt zijn schaduw opzij en verdwijnt uit beeld.

Gedreven door een niet te onderdrukken nieuwsgierigheid beklimt Marion de trap naar de bovenste verdieping van het pand. Haar ogen branden door de rook die in de gang hangt en de stank van verbrand rubber slaat op haar keel. Ze knippert een paar keer met haar ogen om het prikkende gevoel met haar eigen traanvocht te verdrijven en loopt dieper de gang in. Meneer Smid staat, voor een dichte deur van een kamer verderop in de gang, met een schilderij in zijn hand.

‘Goh, nog meer schoonmaakklussen voor u?’

Hij zwijgt en kijkt haar een tel aan met een woedende blik op zijn magere gezicht. Dan is het moment voorbij en schuift er een neutraal masker voor zijn gelaat.

‘Eh ja, ik heb er een dagtaak aan.’ Hij recht zijn rug alsof hij haar van zijn gelijk wil overtuigen.

Marion loopt naar de eetzaal. Vreemd gedrag, heel vreemd. Opeens neemt ze een besluit en wandelt naar de receptioniste.

‘Verdwijnen er weleens spullen uit de kamers zonder slot?’

‘Ja, dat komt voor. Meerdere bejaarden klagen daarover, maar het gros vindt later hun ring of ketting weer terug. Vaak hebben ze hun spullen zelf zo goed verstopt dat ze die niet meer kunnen vinden.’

‘En grotere dingen?’ dringt Marion aan.

‘Enkele bewoners hebben over verdwenen schilderijen geklaagd, telkens wanneer er bij een verhuizen veel mensen met spullen op de gangen rondsjouwen. Waarom vraag je dit?’

‘Ik vroeg het me af, zomaar.’ Vanuit haar ooghoeken ziet Marion meneer Smid staan. Hoeveel van de conversatie heeft hij opgevangen?

‘Tot volgende week. Ik moet ervandoor, het is al donker en mijn man weet niet waar ik blijf.’

Ze draait zich op haar hielen om en beent de deur uit. Net voor ze bij haar fiets aan de rand van het bos arriveert, staat opeens meneer Smid voor haar. Zijn latente woede zoekt een uitweg en wordt weerspiegeld op zijn vertrokken gezicht.

‘Kutwijf’, sist hij haar toe.

‘Pardon?’

‘Houd je maar niet van de domme, ik hoorde je tegen de receptioniste praten. Gelukkig noemde je mijn naam niet. En dat doe je ook nooit.’ Dreigend zet hij een stap vooruit. Het lijkt op een horrorfilm, op het moment dat je beseft dat het telefoontje vanuit het huis komt en niet ergens van buiten. Gefixeerd staart ze naar de derde knoop van zijn vest. Gedreven door een allesoverheersende angst nemen haar morele normen en waarden af. Had ze maar een mes op zak. Ze zou precies rechts van die knoop op hem insteken, dan het mes er snel uittrekken en op de plek ernaast weer steken. Die grijns van zijn ziekelijke kop wegvegen. Ze loert naar de wallen onder zijn ogen en naar zijn vale huid. Golven van misselijkheid spoelen door haar lijf, haar maag verkrampt en zweet druipt van haar voorhoofd.

Meneer Smid strekt zijn klauwachtige handen uit en grijpt haar stevig vast. Marion schrikt van haar verloren vrijheid en met de kracht van een kooivechter duwt ze haar knie omhoog. Ze treft hem vol in het kruis en hij wankelt. Op dat moment sprint ze weg. De takken, de twijgen en de sneeuw in het bos kraken onder haar voeten. Verblind door tranen holt ze over het pad. Langs eiken, sparren en berken met hun lichtgroen bemoste stammen rent ze verder. Een tak schuurt langs haar wang en druppels bloed vermengt met zweet vallen over haar gezicht. Steken in haar zij van het rennen, benemen haar de adem. Daar is die duizeling weer, ze moet een moment stilstaan. Haar adem lijkt haar opgezwollen keel niet meer te passeren. Aan het gekraak van de takken en aan het gevloek merkt ze dat meneer Smid haar op de hielen zit. Jammer dat hij zo fit is. Een torenklok in de verte slaat negen keer. Ze neemt een diepe teug lucht en sprint verder, struikelend over de boomwortels die, verborgen onder de sneeuw, dwars over het pad omhoogsteken. In dit licht zijn de hobbels amper te ontwaren. Weer die duizeling. Een seconde schuilt ze onder een donkere spar en meet de afstand tot haar achtervolger.

Meneer Smid staat met een vuurrode kop voor haar en zijn benige linkerhand grijpt haar goed vast. Angst raast door haar aderen.

‘Zo katje, rustig aan hè.’

‘Wat bent u van plan?’

‘Kom nou, kun je alleen maar voorlezen en zelfs niet één verhaaltje verzinnen? Ik hoef het niet te spellen, toch? Je bent al net zo’n kreng als die andere wijven in mijn leven.’ Hij snuift en spuugt een klodder fluim weg.

Marion trekt wit weg. ‘Waarom? Waarom jat u spullen van weerloze bejaarden? Heeft u dan geen enkele empathie wanneer u hen hun laatste herinneringen afpakt?’

Meneer Smid kijkt haar meewarig aan. ‘Medeleven hebben ze voor mij ook niet. Zij schatten hun bezittingen niet op waarde en ik kan ze voor een goede prijs verkopen.

Ze ruikt de rottende geur van het bos voor ze de handen van meneer Smid rond haar keel voelt verstrakken. Zijn knokkels kleuren wit bij de sterke greep.

‘Gevaar is iets vreemds hè? Je hebt het gevoel dat er geen uitweg is.’ Zijn gezicht geeft geen enkele emotie prijs. Hield hij die handen ook zo om de nek van weerloze pups? Ze is te slap om zich te verweren en voelt zich benauwder worden. Is dit het einde? Voor ze haar bewustzijn verliest, verslapt de greep om haar nek. Vol ongeloof blikt ze hem in de ogen. Zijn verkleurde vingers, gelig van de vele sjekkies in zijn leven, glijden van haar keel en hij grijpt naar zijn hart. Hij wankelt en rochelt: ‘Help, alsjeblieft.’

Nog even staat ze oog in oog met hem, dan zakt zijn lichaam op de grond in elkaar. Hulpeloos heft hij zijn handen op.

‘Prettig kerstfeest.’ Marion spuwt de woorden naar buiten. Ze kijkt bewegingloos toe hoe hij kronkelend over het pad rolt en tenslotte nog twee keer schokt. In het duister klinkt zijn laatste rauwe kreet, daarna blijft het stil.

Bij het licht van haar telefoon lijkt hij ouder te zijn geworden, maar nog steeds dezelfde man. Zijn ontevreden mond staat halfopen, er loopt een sliertje speeksel uit en zijn ogen blikken nietsziend naar de lucht. Marion tuurt omhoog naar de donkere lucht en werpt een laatste blik omlaag. Vorst heeft het laatste sliertje leven tot een dunne pegel bevroren.

© Cecile Koops 2019

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *