Halloweenbal 

Irene schuift de hangers aan de rail in haar inloopkast krassend één voor één opzij. Af en toe grist ze een jurk met hanger en al eraf. Ze houdt hem voor zich en bekijkt het effect in de grote spiegel op de achterwand van de kast. Niets van wat ze ziet, bevalt haar. Allemaal ongeschikt voor het Halloweenbal volgende week. Ze frummelt de jurken weer tussen de rest van haar kleren op de overvolle rail en wandelt de trap af.

In een luie stoel in de woonkamer zit Robbert, haar man een krant te lezen. Het lijnenspel in zijn gezicht getuigt van een leven dat niet makkelijk voor hem is geweest. Zoals gebruikelijk wanneer hij zich ontspant hangt zijn mond open.

‘Doe je mond eens dicht, je bent toch geen vis.’

Gehoorzaam klapt hij zijn kaken dicht.

‘Zullen we nog even een frisse neus halen?’ vraagt hij.

‘Met dit weer?’

‘Ik houd ervan om in de buurt rond te lopen.’

‘Eerlijk gezegd, vind ik er helemaal niets aan hier. Het is veel te stil.’

Ze was er kapot van geweest toen zij naar deze uithoek vertrokken. Gedwongen door zijn baan had ze geen andere keus, ze vervloekt het nog elk moment.

Robbert staat op en haalt zijn jas uit de gang. Met één arm al in de mouw gestoken, vraagt hij: ‘Weet je het zeker?’

Ze kijkt hem ongelovig aan.

‘Ga jij er toch op uit?’

‘Ik wil eens kijken hoe de mensen hun tuinen voor Halloween hebben versierd.’

‘Ik haat oranje. Ik haat grijnzende zwarte zigzag-monden op pompoenen of stomme spinnen in hun rag om maar niet te spreken over heksenmutsen overal.’

‘Dan moet je vooral niet meegaan.’ Hij zegt het scherp en gooit de deur met een knal achter zich dicht.

Ze trekt de gordijnen dicht en doet de lampen aan.

Tringggg klinkt de voordeurbel. Zuchtend staat ze op en sloft naar de gang.

‘Ben je iets vergeten?’

Ze zwaait de voordeur wijd open, maar schrikt bij het zien van een geheel in zwart gehulde persoon. Onder de zwarte kap op zijn hoofd is zijn gelaat weerzinwekkend, met net zo’n eng masker als in de film Scream. De man zwijgt en staart haar vanachter de holle ogen aan.

Irene is niet gauw uit het veld geslagen, maar nu breekt het zweet haar uit. Onwillekeurig trekt ze haar schouders op om haar nek dekking te geven. Zonder een woord te wisselen, staren ze elkaar aan. Met een plotseling snelle beweging wil zij de deur dichtgooien, maar de man zet zijn voet over de drempel. Ze krijst en deinst achteruit. Haar hoofd klapt tegen een uitstekende haak van de kapstok aan. Dikke stralen bloed lopen over haar achterhoofd omlaag haar nek in. Rochelend zakt ze als een kaartenhuis in elkaar op de grond terwijl ze naar haar borst grijpt.

De man rukt zijn masker af, voelt haar pols en belt 112.

Loeiende sirenes verdrijven de stilte in de straat. De arts schudt zijn hoofd en bevestigt wat Robbert al wist.

‘Ik wilde haar alvast mijn kostuum voor het bal laten zien,’ fluistert hij.

 

© Cecile Koops 2019


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *