Dit verhaal werd gepubliceerd in de bundel ‘Leven in twee werelden’ van het Huizer Schrijversgilde in juni 2019

DOODSANGST IN DE ARDENNEN

‘Zijn we er bijna?’ vraagt Julia een half uur na vertrek. Louise blikt via de achteruitkijkspiegel naar haar ineengedoken dochter. Een wit snoetje omringd door slordig piekhaar kijkt ongelukkig terug.

‘Nog niet meis, ben je weer misselijk van het rijden?’

‘Mmm.’

‘Zodra het kan stoppen we om iets te drinken, dan kun je weer bijkomen,’ besluit Louise.

Sam kijkt naar buiten en telt hardop: ‘twaalf, dertien, veertien …’

‘Wat ben je aan het doen Sam?’ vraagt Janet aan haar zoon.

‘Ik tel de BMW ‘s die langsrijden.’

Zielig, denkt Louise, zijn vader had er ook één voor hij met de noorderzon vertrok.

‘Gelukkig, we zijn er,’ roept Louise. Ze zien een bovenop een berg gelegen huis gebouwd van grote brokken natuursteen. De kinderen stuiven meteen naar binnen om een kamer uit te zoeken.

‘Even wachten, eerst mensen dan hangoren,’ roept Louise.

‘Hangoren?’ vraagt Sam.

‘Dat is een spreekwoord Sam, eerst komen grote mensen aan de beurt en dan kinderen,’ legt Louise uit. Ze geeft aan Janet de eerste keus en kiest daarna haar kamer. ‘Nu mogen jullie een slaapkamer zoeken.’ Joelend verkennen de kinderen het huis.

Louise graait vergeefs in haar tas en kiepert tenslotte de inhoud op haar bed. Haar telefoon zit er niet in. Ze ziet nog voor zich hoe ze haar mobiel aan de oplader legde en nu is ze hem in de haast toch vergeten. Gelukkig is ze niet alleen en heeft Janet een telefoon voor noodgevallen. Ze loopt de trap af naar de keuken, waar Janet hun voorraad eten uitpakt. Janet kijkt op en vraagt: ‘Heb je trek in een wijntje?’

‘Waarom niet, we verdienen het,’ antwoordt Louise.

‘Jij zeker met dat hele stuk rijden. Jammer dat ik geen rijbewijs heb, anders kon ik je aflossen.’

Ze ploffen neer op een bank in de huiskamer en zien buiten gitzwarte wolken langsdrijven.

‘Weet je zeker dat het droog blijft?’

‘Tja, dat voorspelde de weerman, maar nu ik dit zie, twijfel ik,’ antwoordt Janet.

‘Laten we snel de omgeving verkennen. We hebben frisse lucht nodig en moeten de benen even strekken na de lange rit, misschien houden we het droog.’

Ze hebben na hun boswandeling dorst en lopen het terras van een klein café in het dorp op, waar ze neerploffen op de laatste lege stoelen. Julia loert uitgebreid om zich heen en zegt keihard over het terras: ‘Mama, wat zijn de mensen hier lelijk hè?’

‘Sst, dat mag je niet zeggen,’ reageert Louise direct en blikt steels rond.

‘Maar het is toch zo?’ houdt Julia vol met kinderlijke onschuld. De mensen op het terras kijken vijandig naar hen. Louise snapt haar dochter; de mensen om hen heen hebben een grof, boers uiterlijk, handen als kolenschoppen en gespierde nekken. Een aantal van hen heeft een ingevallen mond alsof een kunstgebit ontbreekt.

Ze fluistert in het oor van haar dochter: ‘Je mag nooit nare opmerkingen over mensen maken. Jij zou zoiets toch ook niet willen horen?’

Julia grijnst. ‘Nee mam, ik snap het.’

Louise ziet hoe de mensen fluisteren en naar hen wijzen. Ze schaamt zich, maar hoopt dat zij een vierjarig meisje vergeven voor haar uitspraken.

Janet lijkt zich geheel onbewust van wat er om hen heen gaande is. Ze strekt haar armen in de lucht en zegt: ‘Heerlijk is het hier.’

Het bospad, terug naar huis, is van een lugubere verlatenheid. Louise spitst haar oren en kijkt verschrikt om. De schemer valt in en bomen en struiken steken als silhouetten tegen de lucht af.

‘Zie jij iets?’ vraagt ze zachtjes aan Janet.

‘Wat dan?’

‘Het lijkt wel of we gevolgd worden.’

Janet draait zich om en loopt een paar stappen achterstevoren. ‘Ik zie niemand, niks aan de hand hoor.’

Ze lopen verder terwijl Louise af en toe achterom kijkt. Janet is altijd zo kalm en nuchter, ze wilde dat zij die eigenschap ook bezat. ‘Ik twijfel nu ook, net zou ik het zweren, maar ik zie niets meer.’

‘Zie je wel, maak je niet druk. Waarom zou iemand ons in vredesnaam volgen?’

Vlak bij het huis schiet een grote kat uit de struiken.

‘Zie je, dat zag je’ beweert Janet stellig. ‘Gaan jullie nog maar even op de schommel spelen jongens, dan gaan wij het eten voorbereiden.’

‘Moeten we niet kijken of dat goed gaat?’

‘Welnee, ze zijn gewoon in de tuin en met schommelen kunnen ze geen kwaad doen. Ze vallen er heus niet af. Soms ben je te bezorgd.’

Louise laat zich overtuigen en ze verdelen de taken voor het avondeten. Ze luistert naar het gelach van de kinderen en is haar nare gevoel van zo-even alweer vergeten.

Tijdens de maaltijd, aan de lange tafel op de veranda, begint het te spetteren en wolken jagen dreigend door de lucht. In het begin is het knus om op de veranda te zitten, terwijl de elementen te keer gaan, maar al snel wordt het noodweer menens.

Na die keer dat iemand haar van haar tas beroofde, had Louise zich voorgenomen nooit meer bang te zijn. Haar voornemen wankelt wanneer ze het onweer vanuit drie kanten over de berg ziet aankomen. Flits boem, flits boem, flits boem, klinkt het als zweepslagen door de stilte. Bolbliksems trekken furieus over het huis. Het volgt elkaar zo snel op, dat ze geen tijd hebben om de secondes tussen flits en knal te tellen. De regen beukt genadeloos op het dak van de veranda en de wind blaast met een stormkracht.

‘Try not to scare the kids,’ zegt Janet.

‘Leuk hè, al die lichten en dat geknal,’ zegt Louise dapper.

‘Ja en dat geroffel boven ons hoofd, we boffen dat we hier een golfplaten dak hebben, dan horen we het veel beter,’ vult Janet aan. De blikken van de vriendinnen treffen elkaar over de hoofden van hun kinderen. Zweetdruppels druipen langs het gezicht van Louise en zelfs de stoere Janet heeft grote angstige ogen. Een knarsend geluid verstoort de nacht. Tussen de knallen door klinkt het alsof iemand een ongeolied roestig hek opentrekt.

‘Ik ga wel kijken, blijf jij bij de kinderen,’ zegt Janet terwijl ze naar de kamer loopt en door het venster naar buiten kijkt. Niets, er is niets te zien. Of ziet ze nou voor het zijraam een boerse kop met een tandeloze mond grijnzen? Ze tuurt nog eens. Behalve duisternis valt er buiten niets te ontdekken. Ze snelt weer terug naar de veranda en schudt haar hoofd. ‘Niets. Zullen we een boekje voorlezen? Willen jullie dat?’ De kinderen knikken met witte snoetjes.

‘Duurt het nog lang mam, ik vind het eng nu.’

‘Ja ik ook, ik ben bang,’ zegt Julia.

‘Dat is echt niet nodig jongens. Ik haal een boek, dan hebben jullie wat afleiding,’ zegt Louise. Ze loopt naar hun kamer om een paar boeken te pakken. Weer hoort ze geritsel, of is dat nou gefluister? Ze checkt of alle ramen gesloten zijn en schuift de gordijnen dicht voor ze de trap afloopt. Een schrapend geluid op het dak gaat over in kraken.

Flits, boem, flits boem, kraak. Ze horen een enorme dreun. Wat was dat? Louise rent naar het raam en kijkt naar buiten. Julia gilt en Sammy huilt. Ook Louise staat het huilen nader dan het lachen.

‘Wacht, ik doe het licht op de veranda aan dan kunnen we het beter zien.’ Janet blijft rustig.

In de tuin zien ze een gevelde oude eik liggen. Wonder boven wonder is het huis net niet geraakt. Op de grond lijkt de boom enorm en vele malen groter dan toen hij overeind stond. Zijn takken zwiepen in de wind.

 ‘Morgen lachen we om alles,’ houdt Janet de moed erin.

Louise pakt “Alleen op de wereld” op en begint te vertellen: ‘Ik ben een vondeling. Maar tot aan mijn achtste jaar heb ik gedacht dat ik, net als alle andere kinderen, een moeder had, want wanneer ik huilde was er altijd een vrouw die mij zo teder tegen zich aan drukte en in haar armen wiegde, dat mijn tranen ophielden te stromen.’ De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal. Louise leest tot ze schor is en zegt: ‘Nu is het jouw beurt, ik heb een zere keel. Ik ga thee zetten. Ook een kopje?’ Janet knikt en leest verder waar Louise gebleven is.

Louise loopt naar de keuken en zet de waterkoker aan. Wat hoort ze toch? Het lijkt op ritselen en ook een beetje op kraken. Ze zet de waterkoker weer uit want het geluid van het borrelende water overstemt nu alles. Zweet druipt van haar gezicht haar nek in. Opeens is het weer stil. Ook het onweer is een tel stil. De stilte maakt haar bang, een stilte als een graf. Ze voelt zich kwetsbaar, twee alleenstaande moeders met twee jonge kinderen, aan de buitenrand van een vreemd dorp waar ze niemand kennen. Bovenop een berg in een immens noodweer. God weet wat er nog gebeuren zal. Ze tuurt naar het raam en ziet een hoofd met een tandeloze grijns in stilte naar haar kijken. Dan wordt op het raam getikt. Ze krijst en verliest het bewustzijn.

Janet heeft haar gil gehoord en rent de keuken in.
‘Mam …, mam.’ Julia is in paniek.

‘Kalm blijven Julia. Ze is flauwgevallen. We moeten haar wakker maken.’ Janet loopt naar het aanrecht en houdt een theedoek onder de kraan. Ze wringt hem uit en veegt ermee over het gezicht van Louise. ‘Hallo. Kom er eens bij.’

Het lijkt te helpen, er klinkt gekreun en Louise slaat haar ogen open.

‘Wat was dat nou?’

‘Ik dacht dat ik een hoofd voor het raam zag en ik schrok me dood.’

De kinderen kijken verschrikt. ‘Maar er was niets hoor,’ voegt ze er geruststellend aan toe.

Janet kijkt Louise vragend aan. ‘Later.’ Geluidloos vormt haar mond het woord.

‘We leggen een matras beneden, dan kunnen jullie proberen te slapen. Wij zijn in de buurt,’ zegt Janet. De kinderen vallen om van moeheid en slapen meteen in op hun geïmproviseerde bed. De moeders fluisteren in de keuken.

‘Jasses, ik voel me hier heel onprettig Janet, en nou hebben we allebei dat hoofd gezien. Zwerft er buiten iemand rond? Wat moeten we doen?’ Louise slaat haar armen om haar slanke lijf heen en wrijft zichzelf warm.

‘Ik weet het niet. We kunnen niemand bellen, mijn mobiel is hartstikke leeg. Ik durf hem niet op te laden met die bliksems en jij bent de jouwe vergeten.’ Janet scheurt zonder het te merken een papieren servet in piepkleine stukjes en schudt haar krullen naar achteren. ‘We moeten naar buiten. Als we samen gaan kan er niks gebeuren, toch? We nemen de hockeystick van Sammy mee zodat we ons kunnen verdedigen.’

‘En misschien ook een paraplu?’

Als jij je daardoor beter voelt, moet je dat vooral doen.’

‘Kunnen we de kinderen wel alleen laten?’ aarzelt Louise. ‘Zal ik niet liever bij ze blijven?’

‘Het is maar voor even, met die onzekerheid kunnen we niet gaan slapen,’ zegt Janet kordaat. Met zijn tweeën staan we sterker dan wanneer ik in mijn eentje ga, kom op.’

De vriendinnen pakken hun verdedigingswapens, checken de rustig slapende kinderen en sluipen de achterdeur uit.

Voetje voor voetje doen ze de ronde om het huis terwijl hun ogen aan het duister wennen. Opeens houdt Janet, die voorop loopt, stil en wijst. Naast de voordeur staat iemand. Met knikkende knieën sluipen ze dichterbij, de hockeystick en de paraplu in de aanslag. Net als ze willen toeslaan, horen ze: ‘Alles goed dames? Ik kwam checken of jullie last hebben van het noodweer en heb eerst rondom het huis geïnspecteerd.’ Ze herkennen de stem van de verhuurder van het huis. ‘Maar ik zie dat jullie jezelf best kunnen redden,’ giechelt hij, naar de opgeheven slagwapens kijkend. ‘Rustig maar, het is goed volk.’

Louise lacht hysterisch van opluchting en al snel doet Janet met haar mee. Ze vallen uitgeput van het lachen tegen de muur aan. Naast hen zwiepen losgeschoten, ritselende en krakende takken hard tegen de voordeur aan.

Cecile Koops© 2019


2 reacties

jacobs · 29 oktober 2019 op 6:02 pm

Hoe kom je er op, maar het is gewoon een goed verhaalzeker als kind meegemaakt? of puur fantasie, wel enge fantastische verhaalfantasiën leven in jou.

    Cecile · 31 oktober 2019 op 11:38 am

    Nou, eigenlijk heb ik het ongeveer zo zelf meegemaakt. Bovenop een berg met bolbliksems in de Ardennen en met een vriendin en allebei een klein kind. Dan heb je de ingrediënten al snel te pakken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *