SJACHERAAR

In de kelder hangt een geur van rotte aardappelen vermengd met schimmel. Kilte dringt langzaam maar zeker zijn poriën binnen. In de keldermuur zit geen raam en de enige uitweg is door de deur naar de gang, waar een streep licht onderdoor schijnt. Jacob hoopt dat niemand die deur op slot doet. Stak er een sleutel in de deur? Hij probeert zich de buitenkant van de deur voor de geest te halen, het plaatje staat niet op het netvlies van zijn geheugen. Gefrustreerd slaat hij met zijn vuist tegen de muur aan wat hem slechts een felle pijnscheut oplevert. Op zijn hurken zakt hij tegen de muur aan. Na wat wel een uur lijkt, vangen zijn oren geen geluid meer op. Voor alle zekerheid wacht hij een extra tien minuten voor hij zich moeizaam overeind hijst. Het duurt even voor zijn bloedcirculatie weer normaal functioneert en hij zijn ene been voor het andere durft te zetten. Op het moment dat hij de keldertrap opsluipt, verdrijft een hevig gekraak de stilte. Roerloos en met ingehouden adem wacht hij af, maar geen enkele reactie volgt. Hij sluipt verder naar boven en glipt de voordeur uit.

Jacob draaft, terwijl zijn hart wel tweehonderd slagen per minuut maakt, over de weg die naar de rivier leidt. Bij het kabbelende water slaat hij rechtsaf. Als een trekpaard zwoegt hij door het zandpad, met de oever aan zijn linkerzijde. De zon verwarmt zijn botten terwijl hij langs de woonboten spurt. Waarom liet hij zich dit keer niet door zijn ingesleten wantrouwen leiden? Vanuit de verte ontwaart hij Maria in het roefje van hun woonboot en woordeloos zoekt hij haar steun.

‘Heb je alweer gezopen? Kon jij je drooglegging niet volhouden?’ bijt zijn vrouw hem toe zodra hij binnenkomt.

‘Nee, ik heb niet gedronken. Er is iets vreselijks gebeurd.’

Maria laat haar tanige lichaam in een stoel zakken en kijkt hem vragend aan.

‘Ik was in het café, alleen om koffie te drinken. Ik zweer het. Daar zat een man die iemand voor een klusje zocht.’

‘Wat voor een klusje?’

‘Dat weet ik niet. Ik moest om twee uur bij een huis komen en daar zou ik de verdere details horen.’

‘Dat klinkt vaag, ken je die man?’

‘Nee, nooit eerder gezien. Ik vervloek mezelf dat ik me liet overhalen in het vooruitzicht op wat inkomsten.’ Jacob voelt zich opeens veel ouder dan zijn achtenveertig jaar.

‘Wat is er dan gebeurd?’

‘Ik arriveerde tien minuten voor de afgesproken tijd bij het huis. De voordeur stond op een kier en ik liep de hal in. In eerste instantie zag ik weinig en moest ik mijn ogen aan het duister laten wennen. In een kamer naast de hal hoorde ik mannenstemmen praten. Op het moment dat ik wilde roepen dat ik er was, ving ik een flard van het gesprek op.’ Jacob rilt bij de herinnering. ‘Ze zeiden: “Van haar hebben we geen last meer. Zodra die loser arriveert, slaan we hem buiten westen en laten hem betrappen op het plaats delict. Wanneer hij ontkent, geloven ze die sjacheraar toch niet.” Hun stappen naderden. Ik had geen tijd meer om de buitendeur te bereiken. Ik dook de kelder in en hield me schuil tot ze waren verdwenen.’

‘Wat voor een misdaad was het?’

‘Hoor eens, dat weet ik niet, ik heb niet gekeken. Ik wilde maar één ding: daar zo snel mogelijk wegwezen.’

Maria schuifelt naar de kleine keuken in het kombuis terwijl ze de deur met een knal achter zich dichtslaat. Ze ademt diep in en uit en zet koffie op de automatische piloot. Wanneer ze voor haar gevoel niet langer kan treuzelen in de keuken, loopt ze met twee gevulde mokken terug naar de kamer. Jacob zit op de plaid over de bank die de versleten plekken maskeert en veegt een sliert haar achter zijn oren. ‘Wat moeten we doen?’

Ze staart hem aan. Zijn ogen staan hol en de wangen in zijn grauwe gezicht zijn ingevallen. ‘Kunnen getuigen in het café bevestigen wat die man vertelde?’

‘Helaas niet, wij zaten aan het raam, een eind van de bar af. Niemand kon ons horen. Moeten we de politie bellen?’

We, denkt Maria. Niet wat moet ik doen, maar wat moeten we doen. Zo maakt hij het ook mijn probleem. Ze krijgt een vieze smaak in haar mond, hoe vaak heeft ze Jacob al niet uit de nesten geholpen. De ene keer was hij betrokken bij een vechtpartij, een andere keer te dronken om op zijn benen staan. En anders lichtte hij wel iemand op met zijn nagemaakte antiek. Opeens is ze moe, doodmoe. ‘Laten we er een nacht over slapen, misschien valt me iets in,’ omzeilt ze de vraag.

De volgende morgen pakt ze de krant van de deurmat en loopt ermee naar de keuken. Al bladerend scant ze de koppen: “Gefortuneerde vrouw in koelen bloede vermoord.” Met een zwaar hart leest ze dat het slachtoffer door messteken om het leven is gekomen. Haar hele fortuin laat ze na aan een man die ze slechts twee maanden eerder heeft ontmoet. Die man wordt verdacht, maar hij heeft vooralsnog een alibi.

‘Staat er iets in de krant?’ informeert Jacob.

Zij schuift hem het artikel toe en zegt: ‘Ik heb nagedacht, ik denk dat we onze mond moeten houden. Jij hebt tenslotte de mannen in dat huis uitsluitend gehoord en niet gezien. Bovendien is er geen getuige van je gesprek met de man in het café.’

In de verte loeien sirenes en even later staat een auto met blauwe zwaailichten voor de boot.

‘Wat nu?’ jammert Jacob.

‘De waarheid vertellen, je hebt toch niks misdaan?’ Maria kijkt vol ontzetting toe hoe haar man hardhandig achterin de bus wordt geschoven. Zij blijft achter met een agent die een huiszoekingsbevel op zak heeft. Hij rommelt door hun spullen op de boot.

‘Hoe komt u hier terecht, mag u dat vertellen?’

‘Zijn deze schoenen van uw man?’ De agent houdt een paar suède instappers omhoog.

‘Ja, hoezo?’

‘Er zit bloed op.’ Hij wijst donkere vlekken op de schoenen aan en laat ze in een plastic zak glijden. ‘Het lab zal deze onderzoeken. Iemand zag een man het moordhuis verlaten. Bij de beschrijving dachten we direct aan uw man.’

Maria voelt een golf misselijkheid opkomen. ‘Dat bloed is te verklaren, het lag vast in de gang van dat huis. Jacob vertelde dat hij in het donker niks zag, hij is er mogelijk ingetrapt.’

‘Wat deed hij daar?’

Ze vertelt het verhaal zoals zij het gehoord heeft. ‘We durfden het niet te vertellen uit angst erbij betrokken te worden.’

‘Ik vraag het in het café na.’

‘Er zijn geen getuigen, ze zaten met zijn tweeën aan een raamtafeltje in een verder stil café.’

‘Dan ziet het er slecht uit voor uw man.’

‘Hij herkent misschien de man die hem dat klusje voorstelde?’

‘Wanneer die bij ons bekend is wel, zo niet dan is het wachten tot de kalveren op het ijs dansen.’

‘Wat kunnen we dan doen? Mijn man kijkt weleens te diep in het glaasje of belandt in een gevecht maar dit heeft hij niet gedaan.’

‘Dat is aan de rechter om te beslissen,’ antwoordt de agent.

Aan het eind van de middag ontvangt Maria een bericht op haar telefoon dat ze met groeiende verbazing leest. De boodschap is van Jacob, hij mag thuis de verdere gebeurtenissen afwachten. Ze stormt de deur uit en galoppeert het rulle zandpad af tot aan het verharde stuk waar hun auto geparkeerd staat. Met gierende banden rijdt ze naar het politiebureau.

Na hun avondeten zapt Maria langs de programma’s op de televisie en blijft hangen bij the Voice of Holland. ‘We hebben afleiding nodig, anders blijven we piekeren.’ Als bij afspraak spreken ze niet meer over het huis en de gruwelijke dingen die daar plaatsvonden.

‘Hier zijn voor team Waylon: Petruùùùùùs en Nicoooooooo,’ schreeuwt de presentator in de microfoon terwijl er twee mannen voor een‘battle’het podium oplopen.

‘Dat is hem, die Petrus’ zegt Jacob opgewonden.

‘Je hebt nog geen noot gehoord. Hoe kan je dat nu al zeggen?’

‘Nee, ik bedoel dat is de man uit het café. Honderd procent zeker.’

Maria kijkt hem aan. ‘Bel de politie op, nu!’

Later die avond staat er nogmaals een politieauto voor hun deur. Deze keer zonder een blauw zwaailicht. ‘We hebben Petrus opgepakt voor ondervraging en hij bekende al snel dat hij in opdracht van de erfgenaam heeft gehandeld. Die man ontving al twee keer een substantiële erfenis van een welgestelde vrouw. Uiteraard gaan we de omstandigheden daarvan eens extra tegen het licht houden.’ De politieman verdwijnt over de loopplank in de schemering van de nacht.

‘Deze keer vallen de kwartjes verkeerd voor de erfgenaam en die Petrus heeft vandaag twee ‘battles’ verloren,’ zegt Maria. ‘Naast een valse vent, is het ook nog eens een valse zanger.’ Nog even staart ze naar hun weerspiegeling in de verlichte ramen van het roefje, dan sluit ze resoluut de gordijnen.

 

Cecile Koops © 2019

 

 

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *