ROCK ‘N ROLL

De wind giert en trekt aan kale takken van de bomen. Een ijzige kou rolt over het land. In de verte worstelt een eenzame fietser met de natuurkrachten en op het paadje dwars door de lege akker loopt Hanna naar huis. Haar hoofd naar voren en de rug gebogen tegen de wind. Ze hapt naar adem maar de kille lucht stokt in haar keel. Ze slaat haar sjaal voor haar neus en mond om op die manier de binnenkomende lucht een beetje op te warmen. Haar handen zijn rood en haar vingers voelen als bevroren aan. Ze doen zo’n pijn, dat de tranen haar in de ogen schieten.

‘Hondenweer,’ mompelt ze in zichzelf. Ze tuurt naar de horizon waar de verroeste schuur aan de rand van de doorgeploegde akker staat. De schuur is bedekt met golfplaten waar de tand des tijds flink aan heeft geknabbeld. De akker bestaat op dit moment uit een veld diepgevroren grote brokken klei, die wachten op de eerste zonnestralen om weer op te bloeien. Midden op de akker wortelen eeuwenoude eikenbomen naast een grote ronde waterput. Dit is haar land, het land waar ze zomers zo dol op is, maar dat in de winter weinig liefdevol oogt. Een barre, nietsvergevende wereld die past bij haar stemming, want haar humeur is al maanden om op te schieten. Loodgrijze wolken met gitzwarte onderkanten, waaruit nog net geen sneeuw of ijzel valt, hangen dreigend in de lucht. Hanna stampt haar voeten op de grond in een poging ze weer tot leven te brengen. Bijna thuis, dat eenzame kille huis waaruit de ziel is verdwenen op het moment dat Rob haar verliet. Het is niet eerlijk, denkt ze wrang. Waren we maar nooit op dansles gegaan.  

Hanna herinnert zich het moment waarop ze Rob voor de eerste keer zag. Een lange vent van vijfentwintig, met sproeten op zijn neus. Op het terras van het enige café in haar dorp staren zijn pretogen haar aan. Hij draagt een wielrenners outfit en heeft zijn fiets tegen een boom geparkeerd. Ze lacht verlegen naar hem en neemt haastig een slok hete koffie. Ze hoest wanneer het kokende vocht te snel door haar keel glijdt. De fietser staat op van zijn tafel en klopt haar op de rug. ‘Zo beter?’

‘Dank, een stuk beter,’ stamelt Hanna.

‘Heb je er bezwaar tegen wanneer ik aanschuif, ik zit de hele dag al op de fiets en heb nog niemand gesproken vandaag.’

‘Nee, ga zitten.’ Hanna verbaast zich erover dat zo’n aantrekkelijke man een muisje zoals zij aanspreekt. Ze stellen zich aan elkaar voor en daarna voert Rob het hoogste woord. Hanna wil dolgraag een sprankelende conversatie met hem voeren, maar is te verlegen om veel te zeggen. Ze luistert met een rode kleur op haar wangen naar zijn warme diepe stem en koestert zich in de zon op het terras.

‘Je lijkt wel een poes die zich opkrult in de zon,’ zegt Rob terwijl hij haar over zijn kop koffie heen aankijkt.

‘Heerlijk warmte, ik kan er niet genoeg van krijgen,’ bekent Hanna. 

‘Je ziet er prachtig uit in dit licht,’ merkt Rob op terwijl de rode kleur bij Hanna zich verdiept.

‘Zullen we eens afspreken om samen iets eten?’ 

Hanna aarzelt, ze is zo verlegen, is het niet beter om maar helemaal niet uit te gaan. Ze verbaast zichzelf door toch te accepteren en zo begint hun relatie. 

Tot haar verbazing passen ze, ondanks hun verschillen, goed bij elkaar en als vanzelfsprekend trekt Rob een paar maanden later bij haar in. De boerderij die zij van haar ouders erfde is groot genoeg om ieder van hen voldoende ruimte te bieden. Hanna bewerkt met de hulp van een paar arbeiders het land en Rob reist dagelijks naar zijn werk in de stad. Ze is gelukkig en bloeit op door de aandacht van Rob. ’s Nachts wordt ze regelmatig wakker en loert dan naar de slapende Rob aan haar zijde. Ze voelt zich intens tevreden en gelukkig en kan amper bevatten dat hij haar vriend is. Ze vroeg hem eens: ‘Wat zie je dan in mij Rob, ik ben maar zo gewoon.’

‘Dat ben je juist niet Hanna. Je bent een bijzonder mens, niet ijdel, niet gemeen, altijd vriendelijk en hartelijk naar iedereen en ik vind je prachtig.’

Hanna vindt zichzelf, vergeleken bij de andere meisjes in het dorp, helemaal niet mooi, maar ze houdt haar mond en geniet van hun opbloeiende liefde.

Rob komt op een avond fluitend thuis. Hij snuift de verre geur van curry op en likt zijn lippen. ‘Hallo schoonheid, wat ruikt het hier heerlijk. Brr … het is koud buiten.’ Hij trekt zijn winterjas uit en smijt die over een stoel. ‘Ik zag net een affiche in het dorp hangen, we kunnen binnenkort danslessen nemen op rock-‘n-roll muziek in de grote zaal naast de kerk. Wat denk je ervan?’

‘Top, ik wilde altijd al die acrobatiek leren,’ antwoordt Hanna.

‘We beginnen met de basis hoop ik, daarna zien we wel hoe we moeten springen en gooien tijdens de dans. Ik ben gek op de muziek, dus mij lijkt het ook geweldig. Ik zal ons aanmelden.’

Twee weken later betreden ze de dorpszaal voor hun eerste les. Hun docenten blijken geheel in stijl gekleed. De man heeft zijn haar in een vetkuif gekamd. Met strakke jeans en puntige lakschoenen lijkt hij zo uit de jaren vijftig te komen. Zijn partner draagt een bloot topje op een, door een petticoat wijd uitstaande, rok en gympjes.

De cursisten giechelen een beetje wanneer Bill Hailey uit de speakers schalt.

One, Two, Three O’clock, Four O’clock rock

Five, Six, Seven O’clock, Eight O’clock rock

Nine, Ten, Eleven O’clock, Twelve O’clock rock

We’re gonna rock around the clock tonight.

De docenten geven een kleine demonstratie om te laten zien wat de aanwezigen over enkele weken moeten klaarspelen.

‘Het lijkt wel makkelijk, maar ik denk dat schijn bedriegt,’ verzucht Hanna.

‘Het gaat ons lukken,’ zegt Rob terwijl hij meetelt met het ritme. Ze wippen van hun tenen op de hiel om het ritme op te pakken.          

‘Het is vermoeiender dan ik dacht,’ puft Hanna. 

‘Ga maar even zitten oude vrouw,’ plaagt Rob. ‘Ik zal voor de volgende dans een muurbloempje vragen. Er zijn enkele vrouwen die zonder partner lessen, dan kunnen ze ook eens met een man dansen.’

‘Graag, dan zit ik deze wel uit.’ 

Hanna kijkt toe hoe Rob een overdreven buiging maakt voor een wel heel knap meisje. Ze zag haar ooit in het dorp lopen. Met haar blonde krullen, staalblauwe ogen en slanke figuur is ze een plaatje om te zien. Rob zwiert haar op de dansvloer rond en samen vormen ze een prachtig paar. Hanna slaat hen gade. Ze praten druk tijdens het toch vermoeiende dansen en ze ziet hen diverse keren uit volle borst lachen.

De muziek stopt weer. Hanna staat al op om weer te gaan dansen, maar ziet net op tijd dat Rob en het knappe meisje ook aan de volgende dans beginnen. Ze ploft weer terug op haar stoel en kijkt stuurs de andere kant op, ze wil niet spioneren. De daaropvolgende dans komt Rob haar weer halen.

‘Lekker uitgerust?’

‘Ik kan er weer helemaal tegenaan,’ geeft Hanna toe. ‘Heb jij lekker gedanst net?’

‘Prima, wat een leuke vrouw is dat. Bente heet ze.’ Rob is zich van geen kwaad bewust.

Na een paar lessen wordt het een vast ritueel. Hanna wordt een tijd ‘geparkeerd’ terwijl Rob Bente over de vloer sleurt. Waren het in eerste instantie een of twee nummers, allengs worden het er meer. Hanna ziet het met lede ogen aan. Ze heeft Rob in zijn slaap ook al een paar keer Bentes naam horen zeggen. Ze ziet wat er staat te gebeuren maar weet niet wat ze kan doen om het te veranderen. Twee maanden later heeft Rob haar huis verruild voor dat van Bente.

Hanna zoekt in de telefoongids het nummer van Bente en toetst haar nummer in voor ze zich kan bedenken. 

‘Hallo, met Bente,’ klinkt de parelende stem aan de andere kant.

‘Bente, je spreekt met Hanna, van Rob. Kunnen we morgen afspreken? Ik wil je iets vertellen.’

‘Natuurlijk Hanna, je woont toch in die boerderij bij de Akkerweg? Hoe laat?

‘Schikt twee uur?’ vraagt Hanna

‘Prima, tot morgen,’ antwoordt Bente. 

Hanna legt het toestel weer weg en voelt zich ellendig. Ze moet haar verlegenheid opzij zetten en vechten voor haar man. Bij de gedachte alleen al krimpt ze in elkaar.

Klokslag twee valt de zware klopper op de voordeur. Hanna opent de deur. 

‘Kom binnen, het is zo koud buiten.’ Ze gaat Bente voor door de smalle gang naar de woonkeuken. ‘Koffie of thee? Ga zitten.’

Ze pakt de waterkoker en gooit heet water op het koffiefilter. Zwarte druppeltjes koffie vallen in de bijbehorende kan en het aroma van verse koffie vult de keuken.

‘Melk? Suiker? Zoetje?’

Bente schudt ontkennend haar hoofd. ‘Ik was wel een beetje verbaasd over je telefoontje,’ opent ze de conversatie.

Hanna slikt en begint dan haar betoog: ‘Bente, je bent prachtig en ik weet dat Rob op je valt. Jij kunt echter elke man om je vingers winden. Ik kan dat niet. Ik heb één grote liefde en dat is Rob. Ik kan nooit meer van een ander houden en bij jou is de relatie wellicht al binnen een jaar weer over. Alsjeblieft doe dit mij niet aan. Mijn geluk ligt in jouw handen.’

Bente staart naar Hanna. 

‘Ik hoor wat je zegt en ik snap ook waarom je het zegt, maar ik kan er niks mee. Ik kan met Rob lachen en hij is een goede minnaar. Dat is voor mij op het moment belangrijker dan jouw muizenissen Hanna. It’s all in the game. Je wint wat en je verliest eens wat. Ik wil nog heel veel hemelse seks met hem beleven, dus wen er maar aan schat.’ Bente lacht overdreven hard. Iets knapt bij de altijd kalme Hanna, nu wordt ze woest. Ze wil die griet een klap verkopen voor alles wat ze, zonder enige wroeging, aanricht. Voor ze het zich realiseert geeft ze Bente die knal voor haar kop. Ze beseft niet dat ze de gloeiende kan met koffie op dat moment nog in haar handen heeft. Het hete vocht stroomt over Bentes gezicht die van schrik achteruit deinst en valt. Ze slaat keihard met haar hoofd tegen de rand van het oude AGA fornuis en blijft stil liggen.

Alle kleur trekt weg uit het gezicht van Hanna terwijl ze zich over Bente buigt en haar pols beetpakt. Niets, geen enkel teken van leven meer. Kalm blijven nu. Wat kan ze doen. Wie zal geloven dat het een ongeluk was? Ze moet iets doen. Tranen stromen over haar wangen. 

Ze rijdt de kruiwagen uit de schuur, trekt de jas weer over Bentes lichaam aan en tilt haar uit de keuken. Gelukkig is Bente een slanke vrouw. Hijgend laat Hanna haar vracht in de kruiwagen glijden en rijdt glibberend over de bevroren akkers naar de waterput. Ze gluurt in de put, het water is nog net niet bevroren. Puffend hijst ze het lichaam op de rand van de put. Daar stopt ze de zakken van Bentes jas vol met grote stenen uit de akker en gooit het levenloze lichaam in de put, waar het met een plons in de diepte verdwijnt. Schielijk kijkt ze om zich heen. Geen mens te zien op deze kille middag. Alleen een paar kraaien die af en toe in de harde grond pikken. Zo snel als haar voeten haar kunnen dragen, rent ze naar de schuur en veegt de kruiwagen met een oude lap schoon, voor ze hem weer op de geijkte plek terugzet. Vervolgens haast ze zich naar de keuken en poetst en boent alle vieze plekken als een robot schoon. Trillend pakt ze haar inmiddels afgekoelde beker thee en neemt een slot, terwijl het zoute nat van haar tranen zich geleidelijk met de inhoud van haar kom vermengt. 

© Cecile 2018 

Dit verhaal werd in december 2018 gepubliceerd in de bundel Winteravond van Adoremi uitgevers

Categorieën: KORTE VERHALEN

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *