HERINNERINGEN

Elke dag op het zelfde uur is het weer dezelfde routine wanneer iedereen in de tredmolen van zijn leven stapt. Op weg naar werk of school net zolang tot iedereen weer vrij is, of ze niet langer hoeven te werken.

Neem nou die man die net naar buiten komt uit nummer veertien. Hij kust zijn vrouw afwezig op de wang terwijl hij al terloops op zijn horloge kijkt, in gedachten vast al bij de vergadering op zijn werk en wat hij daar zal zeggen.

Of dat meisje met haar blonde vlechten, dat fietsend uit de oprit van nummer zes komt met een grote boekentas achterop haar bagagedrager. Wat weten ze van elkaar?  Ze groeten elkaar wel in de context van de straat, maar ze herkennen elkaar totaal niet wanneer ze elkaar op een andere plek tegenkomen.

Naaste buren kennen elkaar en verzorgen tijdens de vakanties elkaars plantjes en huisdieren. Ook de paar mensen die in de straat zijn opgegroeid kennen elkaar. Wee degene, ik dus, die opeens een leeggekomen huis in die straat bezet. Ik ken naast mijn buren niemand. Hoe zou ik ook. Ik stap in de vroege ochtend al in de tredmolen en ben in de avond pas weer rond half acht thuis, dan zie ik niets van de straat en wat daar aan de hand is. Ik heb ook geen hond als startmotor voor een burencontact.

In de straat van mijn jeugd ken ik iedereen. Ik speel met de andere kinderen uit de buurt op straat tot het donker wordt en ik thuis moet komen. We lopen over de kniehoge muurtjes die de tuinen van de stoep scheiden. Bij de paadjes naar de deuren, waar het metselwerk van elk muurtje eindigt in een bredere kolom van bakstenen aan weerszijden van het pad, wagen we de grote sprong naar de overkant. We belopen zo de hele straat, behalve bij die mevrouw op nummer zeven. Die is zo bang dat kinderen misschien in haar tuin zullen vallen en haar bloemen knakken, dat ze haar man opdraagt om het muurtje vol met gebroken scherven op te metselen. De vader van Marieke op nummer twaalf is zo kwaad over die actie, dat hij op een avond met een moker alle scherven plat mept. Natuurlijk escaleert dit en worden rollen prikkeldraad op het muurtje vastgemaakt. Daarna nemen we de horde van nummer zeven stilzwijgend over de stoep.

Wat een geweldige straat is het. Het begint al op het moment dat je het dorp binnenrijdt. In de verte is, als een puntje boven de horizon, de toren van het kerkje zichtbaar en aan de linkerkant de velden vol gewassen en de akkers vol korenschoven begrensd door heel veel klaprozen en korenbloemen in de berm. Niet voor niets zo vaak op het doek vereeuwigd door de vele Gooise kunstenaars. Het heeft iets magisch om vanuit Blaricum het Huizerhoogt af te komen langs die prachtige omgeving. Wij wonen precies daar, op de rand van het dorp.

Mijn buurjongen van toen heeft bijbelvaste ouders.

‘Mag ik voor een keertje wel op zondag fietsen mam? Alle andere jongens gaan dan ook.’

‘Klaas stop eens met zeuren, wij doen dat niet op een zondag.’

Klaas is niet voor één gat te vangen en verstopt zaterdags stiekem zijn fiets in het korenveld.

‘Waar is je fiets gebleven Klaas?’ vraagt zijn moeder bezorgd wanneer hij lopend thuiskomt.

‘Ik heb een lekke band ma. Ik heb hem maar vast bij de fietsenmaker neergezet, want pa is niet zo handig met bandenplakken,’ antwoordt hij zonder blikken of blozen. Die zondag wanneer Klaas gaat wandelentrekt hij zijn ros uit de akker om er lekker mee naar de bioscoop in Hilversum te gaan.

In onze straat staan mooie prunusbomen die ’s zomers met grote zachtroze trossen bloeien. Die hoeven nog niet gekapt om parkeerblik te faciliteren.

Mensen in de straat helpen elkaar waar nodig. Zoals die keer na school toen moeder in het ziekenhuis lag.

‘Ik heb trek,’ zegt mijn broertje.

‘Zullen we loempia’s bakken?’ stel ik voor.

Ik zet de pan olie vast op het vuur en we gaan in de huiskamer zitten. Al snel ben ik de hele pan alweer vergeten. Als we na verloop van tijd iets ruiken stormen we de gang in naar de keuken.

‘Haal een deken,’ schreeuw ik tegen mijn broertje. ‘We moeten het vuur in de pan blussen.’

De valletjes en de planken boven het fornuis zijn al verkoold. Ik ruk de smeulende gordijntjes naar beneden en smijt ze in de tuin. Het eens zo witte plafond is geheel zwart beroet. Ik vraag een buurvrouw om raad.

‘O donder, wat hebben jullie uitgespookt,’ roept ze gealarmeerd.

Wanneer vader uit zijn werk komt, treft hij een hele werkploeg aan, buurvrouwen soppen het plafond en de keuken. Hun mannen witten het plafond en schuren de planken tot het geblakerde deel verdwijnt, waarna ook die geschilderd worden. Een andere buurvrouw heeft nog reserve gordijntjes en hangt die voor de net gelapte ramen. Hartverwarmende burenhulp.

Natuurlijk zijn er in de straat ook grote pestkoppen waar ik een hekel aan heb. Ik haat de bullebak die vaak in het achteromsteegje, dat naar alle achtertuinen leidt, staat. Omdat het steegje krom is, kan ik nooit van tevoren zien of die engerd er staat of niet.

Nu staat hij er. Met een sardonische grijns op zijn gezicht trekt hij aan de spieren van een kippenpoot in zijn, naar mij uitgestrekte, hand. De poot klauwt naar mij. Ik gil van angst en ren schreeuwend het steegje weer uit naar onze voordeur. Eigenlijk moet ik achterom want moeder wil niet dat ik voortdurend aanbel, omdat ik haar dan bij haar werk stoor. Maar deze keer ga ik voor geen goud achterlangs.

Er is veel stille armoede in de straat, maar als kind weet je dat niet. Wij doen helemaal niet mee aan merkenrages en designerkleren bestaan nog niet. Merkjes zijn alleen maar rottige kriebeldingen achter in je nek.

De melkboer komt dagelijks langs aan huis en informeert altijd of de heer des huizes ook nog huppelwater nodig heeft, want in zijn kar staan ook de flesjes jenever verdekt opgesteld. De kolenboer gooit eens per jaar de afgeschotte plek in de schuur vol. Via het kelderklapraam onder het rooster van de voordeur worden mudjes aardappels naar binnen geschoven en in een houten hok onder de keldertrap gegooid. Die aardappels worden allemaal besprenkeld met een poeder om het spruiten tegen te gaan. Vast niet zo heel gezond allemaal, maar wij weten dat nog niet.

Ik kijk vanuit ons zolderraam over het open water van het Gooimeer. Achter ons zijn geen nieuwbouwwijken gebouwd die dat uitzicht onmogelijk maken.

In de zomer hangt het wasgoed in de tuin te drogen, ‘s winters hang de natte was op zolder. De muffige geur van nat wasgoed trekt dan door het huis en vermengd zich met de geur van de allesbrander die zijn naam eer aandoet. Er wordt van alles in opgestookt. Geverfd hout? Geen probleem denken mijn ouders.

Het gelukkigst ben ik op de woensdagmiddagen. Dan hebben we geen school en omdat mijn ouders als eersten in de buurt een televisie hebben, komen alle buurtkinderen bij ons kijken. De gordijnen zijn dichtgeschoven en ranja en koekjes worden uitgedeeld. We zitten omringd door het blauwige licht van de televisie met open mond te kijken naar wat er voor onze ogen verschijnt. Bij het eind van de uitzending zwaaien we allemaal enthousiast naar tante Hannie, de omroepster.

Mijn buurvrouw heeft haar oude moeder, die klederdracht draagt, in huis wonen. Die is een keer gefilmd voor de televisie en komt bij ons kijken. Voorafgaand aan haaritem is er een verslag over de overstroming van het San Marcoplein in Venetië .

‘Belle belle, wat een mooie zee,’ verzucht ze.

Vermaak is er nog niet veel. Ik lig op mijn rug in het grasveld en kijk naar de wolken boven mijn hoofd en verzin allerlei avonturen die de olifanten- en krokodillen wolkenbeesten allemaal beleven.

In het weekend gaan we met de bus naar de grootouders in Hilversum. Vooral bij de ene oma is het leuk, daar staat in het achterkamertje nog een boekenkast vol kinderboeken van mijn moeder en haar broers en zussen. Terwijl de ouderen praten loop ik met mijn nichtjes naar die achterkamer toe en niet veel later liggen we op onze buik voor de kast te smullen van de boeken van Joop ter Heul, Schoolidylle van Top Naeff of de avonturen van Biggles.

Mijn jeugdstraatje blijft onlosmakelijk verbonden met mijn leven toen. Ik heb wel eens weemoed naar die tijd, nee alles was vroeger heus niet beter, misschien wel gezelliger…

En wanneer ik uit mijn tredmolen stap, heb ik nog alle tijd om de mensen in mijn huidige straat eindelijk eens echt te leren kennen!

 

Cecile Koops © 2018


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *